Recensies

  • In tongen spreken

    H.C. ten Berge
    In tongen spreken

    Was god maar een godin

    Het werk van H.C. ten Berge heeft zich van meet af aan gekenmerkt door het samengaan van aardse notities met het timbre van een poëtische stem. Rauw en verheven tegelijk; dat kan soms ongemakkelijk stemmen, maar het lijkt of deze productieve dichter steeds minder moeite heeft om van het ene uiterste in het andere register te belanden en gaandeweg ook verschillende genres in een en dezelfde tekst samen te brengen. In tongen spreken wandelt van gedicht naar geen-gedicht, incorporeert daarbij mythes, poolreizen, essays, autobiografische bijsluiters en leeswijzers door zijn gehele oeuvre. Door een aantal unverfroren mooie gedichten bijeengehouden. 

    Goddank – en dat is dubbelzinnig: goden in het werk van H.C. ten Berge zijn bijvoorbeeld de goden van de Azteken, slangen die de beenderen van een eerdere beschaving bijeen moeten brengen. Zolang er, volgens een antipsalm, maar sprake is van verzet tegen ‘drakentanden/ in de siertuin van een oorlogskweek’. Al eerder, in Cantus Firmus (2014), sprak de dichter zich ferm uit tegen het ‘nieuwe knechtschap’ waaronder de huidige mens gebukt gaat, in een gedicht getiteld ‘Hoe het is om nu te leven’. Zes jaar later spreekt hij opnieuw van het ‘knechtschap van de burger’. Het is het geaffecteerde van zijn dichtersstem dat wonderwel niet tegen het wereldse ingaat, maar er een synergie mee vormt. 

    ‘Veldnotities uit het souterrain’ is bijvoorbeeld een paradox die dit illustreert. Al snel belanden we in deze bundel als mollen in het ondergrondse, om de zeer oude god te ontmoeten die als hellepoortwachter voor het magma midden in de aarde staat. H.C. ten Berge heeft veel geleerd van zijn reizen, diverse mythes die hij in eigen woorden neerpende en hem werden aangereikt door dichters uit verre overzeese gebieden. De verdwenen Mexicaan Juan Tepepan is er zo een, die de bovenwereld ontloopt, waar nog altijd meer slachtoffers vallen dan in het onderaardse. Een mythe is volgens Ten Berge sober, bijna kaal, onaangekleed. ‘Het mythische verdraagt details alleen als deze onmisbaar zijn.’ Dat klinkt naar poëzie en het is dan ook de bedoeling dat de leidsman – de verteller en de naverteller – de mythe zo veel mogelijk naar zijn eigen hand zet.

    H.C. ten Berge onderbreekt een gedicht door iets te vertellen over zijn oorsprong en gaat daarna weer dichtend verder. Na decennia lang in hoog tempo doorschrijven, slecht hij grenzen met gemak. De wereld waarin hij ondertussen leeft, wordt er niet vrolijker op en dat geldt ook voor de spreker zelf: ‘je kunt nergens in jezelf terecht,/ leeg en zonder wens of wil verkleef je/ met een lichaam dat nog ademt/ als een mens// wie de toegang tot het leven wordt ontzegd.’ Dat staat haaks op de lofzang kortweg ‘Szymborska’ genoemd, waarin hij de Poolse dichter ‘passend, dus parlando’ een jubelende ode brengt.

    Dit parlando, versterkt door het vele proza in deze bundel, rijmt dat nog wel met de geschiedenis van de dichter, die met een paar minieme beelden zo trefzeker vervreemding en ontzetting onder woorden weet te brengen? Het is niet duidelijk welke grootheid hij aanspreekt in het gedicht ‘Een onverschrokken meester’ in de reeks ‘Zes ontmoetingen’; het geeft een indruk van wat een gedicht volgens Ten Berge zelf zou moeten zijn: ‘even hecht als helder, op de grens van wat/ nog net aanraakbaar lijkt en toch ontsnapt/ wanneer wij het proberen in te lijven’.

    Dat het tweeluik voor Breyten Breytenbach de sterkste van de zes ontmoetingen behelst, mag geen wonder heten. Ten Berge zit hem dicht op de huid als hij herinneringen ophaalt aan een voettocht langs de Rio Grande. In Zuid-Afrika ondertussen vindt hij veel droogte en verlatenheid, beschrijft vier meter hoge bomen als halfmensbomen. De dichter hakt het jaar in vieren door gedichten over de seizoenen op te nemen, een versnipperde constante die loopt van 1963 tot 2012. Een constante is ook de ‘Pulque’ die de Spanjaarden abusievelijk voor wijn aanzien maar die bestaat uit gefermenteerd agavesap. In het Nahuatl, de taal van de Nahua, werd die aangeduid als ochtli. De Nahua zagen het alleen bij mensen boven de zeventig door de vingers als men zich er mateloos aan laafde. Hoe meer de oude drinkers dronken, hoe meer hazen ze telden; een paar tientallen zien betekende onvervalste vrolijkheid – en honderden hazen zorgden ervoor dat de droefenis van het leven voor een paar uur werd vergeten.

    Maar wie kan er nu in de zeventig en straalbezopen vierhonderd hazen tegelijk onderscheiden? Toegegeven, het is een mythe; we zijn opnieuw bij de Azteken die al sinds decennia het veelzijdig oeuvre van H.C. ten Berge bevolken. En met zoveel woorden schrijft hij het ook in deze bundel: een aantal tweeslachtelijke godinnen is hem liever dan een god uit wiens naam wordt gemoord. Tussen neus en lippen door keert hij zich voor alle duidelijkheid tegen de modieuze new age.

    Al met al zal het begin van de bundel mij het langste bijblijven: de regen waarin een nachtvlinder loskomt van een blad en een jongen het water van een vensterbank likt, terwijl hij tuurt naar het licht achter de ramen aan de overkant waar een meisje misschien Cissy van Marxveldt leest. Wie is Cissy van Marxveldt? Schrijver van vooroorlogse meisjesboeken die zich grotendeels afspelen in de betere milieus. Dat woordje ‘misschien’ daar, dat vind ik mooi.

     

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2020
    RecensentErik Lindner
    Editie2020-3