Recensies

  • Gedichten met een mazda 626

    Jonathan Griffioen
    Gedichten met een mazda 626

    Jezelf niet vinden in het koplamplicht

    Een auto brengt je dichterbij, maar houdt tegelijkertijd de buitenwereld op afstand. Een voertuig voor de ziel is het, als je de gedichten van Tomas Tranströmer leest. Onderweg in mijn eigen Mazda, die bij het schrijven van deze recensie zijn laatste meters voor de sloop aflegt, merk ik dat mensen als bestuurder een deel van hun menselijkheid verliezen. Intermenselijk contact wordt teruggebracht tot de essentie: een stuurbeweging, een gaspedaal, een knipperlicht, een handgebaar.

    Ook de jongen uit het sterke eerste gedicht van Gedichten met een Mazda 626, de nieuwe bundel van Jonathan Griffioen, worstelt met zijn verhouding tot de buitenwereld. PDD-NOS zeggen artsen. Een verlegenheidsdiagnose, schrijft Griffioen, om deze aandoening van ‘(net) niet autisitsche kinderen’ te beschrijven. De bundel opent met een zakelijke vertelling over de diagnose en de rol van deze Jonathan hierin, voor wie ‘antroposofische kinderpsychiatrie creatieve psychotherapie fysiotherapie’ langdurig noodzakelijk bleken.






    De Mazda 626 is nog niet ten tonele verschenen. Wel worden we de wereld van het psychiatrische binnengezogen, waarin het persoonlijke en het wetenschappelijke worden vermengd tot een poëtische vertelling. Griffioen knipoogt naar het authentiek- gekke werk van Jan Arends. In de eerste gedichten in zijn nieuwe bundel komt de waanzin evenzo authentiek en helder over; maar naarmate de bundel vordert, lijken de gedichten minder vanzelf te komen, geforceerder, meer bedacht.

    Zo zet de verteller de scalpel in de psychologie en diagnositiceert hij deze in een treffende oneliner als ‘het trage broertje (eppo) van de wetenschap’. De Mazda verschijnt ten tonele als Griffioen over het autismemedicijn Ritalin schrijft. De verteller vraagt zich hardop af of het niet beter was geweest als dit medicijn in de ‘mazdarode appel uit het mandje van anneke brassinga’ verwerkt was, of als het helemaal niet had bestaan. Na deze verwarde opsomming blijkt de verteller iemand te zijn die al 40 uur wakker is.

    Onder invloed van de medicatie ontpopt Gedichten met een Mazda 626 (‘zoom zoom zoom zoom!’) zich als een jongensachtig-romantische zoektocht naar wat je zou kunnen omschrijven als het ware ik. En zo verdwijnt de verteller meer en meer in zichzelf, in zijn fantasiewereld, het schemergebied tussen droom en werkelijkheid.

    Er treedt een tweede personage op, een overleden internetdealer genaamd Jimmy. Hij wacht buiten de supermarkt op de P met de Mazda 626 uit 1990. Dit soort details zou je filmisch kunnen noemen: je ziet het voor je. De verteller wordt aangestaard door koplampen, en de pinautomaat bij de kassa. Mensen in de rij bevestigen zijn bestaan. Een lichtsignaal in het dorp is niet het signaal van Batman dat op het wolkendek geprojecteerd wordt, maar het schijnsel van een verlichte katholieke kerk.

    De gedichten in de bundel staan niet op zichzelf. Zonder harde markering van een titel lopen ze in elkaar over, als de dagen en herinneringen van het personage. De interpunctiearme zinnen versterken het stream-of-consciousness- effect. De keerzijde van zo’n bundel, een vertelling als een door regelafbrekingen gemarkeerd, associatief verhaal, is de vraag naar de noodzaak van zinnen en gedichten: met name in het middenschip zijn de teksten niet onvervangbaar. Het enige eenheidsvormende element is dan de persoonlijkheid van de schrijver. Want noch het dunne verhaal, noch de vorm onderstreept de noodzakelijkheid van het geschrevene, waardoor verschillende verzen in vrijblijvendheid sneven.

    Wie de waanzin als onderwerp neemt, zoekt het randje van de begrijpelijkheid op, en loopt altijd het risico in onzin te belanden. Maar in het slotgedicht valt veel op zijn plek: ‘ik heb een klein heelal, dat ik vernoem naar de rode mazda 6 2 6 uit 1990, naar helen keller en naar jimmy, er zit nog veel omheen maar daar kom ik niet vaak’. Het lukt de verteller om alles in proportie te zien. Hij schijnt zijn koplamplicht op de wereld. Hij kent zijn beperkingen en hervindt moed in de erkenning.

    En alle artsen en buitenstaanders die hem proberen te helpen? ‘het moet er van een afstand prachtig uitzien’. ‘Knatsers’ noemt hij ze – een vulgarisme dat klinkt als de ironisch-mannelijk-stoere samenvoeging van ‘kneuzen’ en ‘patsers’, maar minder negatief, eerder in de trant van ‘gozers’ of ‘gasten’ niet nader gekende figuren, zij die emotioneel op een veilige afstand blijven. Hij ziet ze daar, de ‘knatsers,/ op de tast,/ in het donker’.

    UitgeverLebowski
    Jaartal2018
    RecensentPim te Bokkel
    Editie2019-1