Recensies

  • De bruidsvlucht

    Annemarie Estor
    De bruidsvlucht

    Zoemende poëzie over onderdanige liefde

    Wie de poëzie van Annemarie Estor (1973) kent, is niet verbaasd in haar nieuwste bundel, De bruidsvlucht, opnieuw een zwoel liefdesspel aan te treffen, dat zich bij voorkeur in de bloeiende natuur afspeelt. De eerste gedichten roepen meteen de herinnering aan haar debuut Vuurdoorn me op, waarvoor ze in 2011 de Herman de Coninkprijs in ontvangst nam. Het titelgedicht van die bundel nam de lezer mee in een aaneenschakeling van neologistische imperatieven (‘Judaspenningme, guichelheilme, lookzonderlookme’), die de lezer – in de woorden van poëziekenner Guus Middag – getuige maakte van een ‘botanische Kamasutra’, waarin niet altijd duidelijk is of de aangesprokene tot pijnigende of liefkozende handelingen wordt aangezet.

    Ook nu is het weer tijd voor een groen liefdesspel, met dezelfde vraag brandend op de lippen van de lezer: is de geschetste amoureuze dans constructief of destructief ? In het openingsgedicht ‘Zwendelheks’ gebiedt de lyrische ik de ander: ‘Lieg.// Tover./ Als melk in water.// Verbloem de waarschijn./ De pijn.’

    Teder gefraudeerd worden, dat is wat de ik het liefste wil – een boodschap die in de hele bundel doorklinkt. Zoals in de titel, die verwijst naar het moment waarop insecten in groten getale uitvliegen om een nieuwe kolonie te beginnen. Tijdens deze bruidsvlucht komen ze soortgenoten uit andere nesten tegen, met wie ze naar hartenlust paren. Deze samensmelting heeft voor beide geslachten een tegengestelde afloop: waar de vrouwelijke insecten genoeg sperma inslaan om hun hele leven mee vooruit te kunnen, sterven de mannetjes vrij kort na deze paringsdans.

    Estors poëzie omarmt deze contradictoire eigenschappen van de liefde: steeds weer treffen we deze destructieve kant van het romantische samenzijn aan in haar poëzie. ‘De put waar ik in moet/ heeft steile wanden.// En ik heb jou uitgekozen/ om mij erin te duwen’, schrijft ze bijvoorbeeld in ‘De tuin van duende en maqaam’; ‘Neem mijn water./ Neem mijn slaap.// Ik heb ze niet meer nodig/ nu ik jou heb.’ De jij mag de ik alles afhandig maken wat een mens in leven houdt; de liefde zorgt er tenslotte voor dat zij niet meer van aardse zaken afhankelijk is.

    De natuur fungeert veelvuldig als toneel voor dit onderwerpende liefdesspel: in Estors poëzie dwarrelen hanenkammen, duizendschoon, bloembedden en koolwitjes rond. Ook in haar vergelijkingen kiest ze veelal voor een natuurlijk uitgangspunt, bijvoorbeeld wanneer ze sterren laat opspringen als bokjes. Soms opteert ze voor een meer wetenschappelijke benadering en rafelt ze het menselijk lichaam uiteen in hersenvliezen en hartkamers, die zorgen voor koolstofuitstoot.

    Daar komt de kritische kant van Estors gedichten om de hoek: wie schrijft over de natuur, werpt uiteindelijk haast onvermijdelijk een afkeurende blik op de manier waarop de mens momenteel met de aarde omspringt. In De bruidsvlucht krijgt dat commentaar de vorm van tikkende machines, oude garages, tractors en autoritten door olievelden, waar jaknikkers driftig op en neer bewegen. Ze deinst er niet voor terug de natuur te presenteren als een vuilstort, waarop de resten van de mens penetrant nageuren. Zo klimt Estor alleen indirect op de preekstoel: ze laat deze beelden voor zich spreken, in de verwachting dat wij zelf hun verwoestende uitwerking zien.

    Estor giet haar boodschap in een gedragen stijl, die bolstaat van – soms zelfs vousvoyerende – aanroepingen richting steeds weer een ander mens, dier of ding. Het maakt haar poëzie soms wat overdadig, zeker in combinatie met de zichzelf herhalende onderdanigheid en alle natuurverschijnselen. Estors boodschap begrijpen we pas echt wanneer we in ‘Een lichaam verlangend naar een luik en naar de hersenen van Heidegger’ lezen over haar ware wens: ‘Soms wou ik dat ik stof was./ Uiteen, ondeelbaar, overal, vormloos (...) minnares van elke beweger, (...) bezit van niemand, niet kapot te krijgen.’ In die boodschap smelten natuur en mens samen.

    UitgeverPoëziecentrum
    Jaartal2020
    RecensentAnne van den Dool
    Editie2020-3