Recensies

  • Big data

    Anne Vegter
    Big data

    Liefde kan waanzinnig maken

    In Big data dicht Anne Vegter over de verwoestende werking van liefdesverdriet. Ingrid Jonker en Medea wisten er alles van: Liefde kan waanzinnig maken. Dat geldt voor zowel de minnares als de bedrogen vrouw.

    In het eerste deel Hoe Europa doen, belandt de lezer zonder ingeleide in een prozaïsche monoloog van de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker. ‘Ik had graag een goed verhaal over mijn reis verteld./ Zo van die mooie zomer van ’64 vertrok ik naar Europa./ Mijn lief Jack Cope stond op de kade van Kaapstad en zwaaide me uit./ (...) Ik had veel geld op zak, bijna het volledige bedrag van de prijs die ik had gewonnen met mijn laatste dichtbundel Rook & Oker.’

    Het is een bevreemdend begin. Waarom is Jonker aan het woord en vertelt ze haar liefdesgeschiedenis met betrekking tot haar twee grote liefdes Jack Cope en André Brink in vogelvlucht? En zou dit onomwonden, hedendaagse (2.0), ietwat grofgebekte stemgeluid bij haar hebben gepast? Zou ze ‘yo, yo, yo’ hebben uitgeroepen of dingen zeggen als: ‘Die André zou bij me langskomen in Amsterdam./ Daar keek ik naar uit, dat werd zo geil, dacht ik’? Ook in haar verzamelde liefdesbrieven (Vlam in de sneeuw, 2016) maakt ze van haar hart geen moordkuil, maar daar is haar woordkeus wat anders, ze schrijft in een brief aan André: ‘Verder jongen, ik hunker zo naar liefde en seks’. Ze dichtte rechtstreeks uit het hart, maar uitte zich graag in lyrische metaforen.

    Met die twee mannen was het een heleboel gedoe: Ingrid had een moeizame relatie met Jack en een affaire met André. Alleen in Amsterdam, vertelt ze: ‘Ik heb geen probleem met twee mannen./ Maar twee mannen hebben geloof ik wel altijd een probleem met één vrouw.’ Er volgt een abortus, de twee mannen laten haar in de steek. Ze doet alsof het haar niet raakt. Ieder gedicht eindigt met een afzwakkende zin: haar vader hield niet van haar: ‘laat ook maar’, over haar illegale abortus van haar zwangerschap van Jack Cope: ‘Ach ja, seks’. Deze dichter kan stoer doen, maar we weten wel beter. In 13 gedichten volgen we Ingrids neergang richting inrichting. Van die mentale breakdown, die stem uit het verleden, komen we bij het tweede deel Big data. Ik zou bijna willen zeggen: Hè, hè en dan komen we eindelijk bij Anne Vegter en de poëzie terecht: ‘inmiddels goed op gang met mijn onderzoek naar de oorsprong van de leugen’, steekt de verteller, die zich ergens tussen ‘leugens en baby’s’ ophoudt van wal.

    De ‘ik’: ‘hangt als een kwaal over de trap, zoekt de mechanismen van haar vormen, wiegt/ haar winstverwachtingen: is ze alleen, klaar voor de oorlog, en waar was ze toen haar vorige begon’. Dit is Vegter op haar sterkst met scherpe gedichten vol beeldspraak, metaforen, taalspel.

    De gedichten doen (evenals de titel ‘Big data’) denken aan eerdere bundels als Spamfighter. Het derde deel heet Medea 2.0 (monoloog), verwijzend naar de bedrogen vrouw uit de Griekse mythologie (Medea was een tovenares die Jason hielp het Gulden Vlies te veroveren. Hij nam haar mee naar Griekenland, maar liet haar in de steek voor de dochter van de koning van Korinthe. Medea nam op gruwelijke wijze wraak door hun twee zoontjes te vermoorden evenals de koning van Korinthe en zijn dochter). Wat volgt is een reeks jachtige, beeldrijke gedichten van een verwijtend, woedend en wanhopig ‘ik’: een tirade. In het vierde gedicht wordt de bundeltitel aan de lezer ‘uitgelegd’. We spreken van het ITbegrip ‘Big data’ als er gebruik wordt gemaakt van een of meer datasets die te groot zijn om met reguliere databasemanagementsystemen onderhouden te worden. De analyse van Big data kan veel vruchtbare (onderzoeks)informatie opleveren om bijvoorbeeld consumentengedrag te voorspellen of duiden. Vegter zou Vegter niet zijn als ze niet zou spelen met zo’n begrip en er een andere lading of betekenis aan zou toekennen. Ze introduceert: ‘Big’: varken is te groot/ biggetje te klein/ te onschuldig/ je bent niet onschuldig/ je bent geen varken/ je bent kleiner/ maar ook weer niet zo klein/ ik noem je big/ iets wat het midden houdt/ tussen leven en geleefd worden/ de data:/ ik ben een echt persoon/ ik ben ingezet om een ander/ nog echter te maken.’ Dat zinnetje: ‘iets wat het midden houdt/ tussen leven en geleefd worden’ verwijst naar de oorspronkelijke betekenis van het begrip, maar toch voelt het beeld een beetje gezocht.

    De gedichten in Medea zijn rauw, recht uit het hart. Zo recht uit het hart dat de ‘ik’ door de mythe heen breekt, zich zichtbaar maakt: ‘mijn jason was schrijver/ hij kende het meisje/ van zijn schrijfcursus/ (...) o ja/ voor goed begrip:/ mijn man heeft me/ na twintig jaar/ plotseling verlaten/ voor een jonger exemplaar/ met twee dochters/ (gaap)’. Weer dat afzwakkende ‘gaap’, maar ook nu weet de lezer wel beter. Hier neemt de woede de overhand. In poëtisch opzicht een gewaagde keuze om die emoties zo letterlijk bloot te geven. De afstand tussen Medea (2.0!) en ‘ik’ wordt opgeheven. Dit bekende verhaal trof zoveel anderen en nu treft het haar. Ze besluit ijzersterk: ‘in haar feitelijke vorm is de geschiedenis ondraaglijk. herschrijf haar nu woedend.’

    UitgeverQuerido
    Jaartal2020
    RecensentDieuwertje Mertens
    Editie2020-3