Recensies

  • Wie was ik

    Alfred Schaffer
    Wie was ik

    Strafregels

    In zijn in 2014 verschenen bundel Mens Dier Ding kroop Alfred Schaffer (1973) in de huid van Sjaka Zoeloe, de krijger-koning wiens uitgestrekte rijk een groot deel van oostelijk Zuid-Afrika omvatte. Op dat moment (en nu nóg; vanaf 2011 tot op heden) woonde de in Leidschendam geboren Schaffer in Zuid-Afrika, en hij doceerde aan de universiteit van Stellenbosch. Zuid-Afrika, waar hij al eerder langdurig woonde (van 1996 tot 2005), is zijn tweede land.

    In zijn nieuwe bundel, wie was ik. strafregels, kruipt Schaffer in de huid van zijn Arubaanse moeder, die overleed toen hij achttien jaar oud was. Hij geeft haar een stem, wekt haar tot leven, zoals hij dat voorheen deed bij Sjaka Zoeloe. Werd hij eerder verbonden met zijn ‘protagonist’ door de grond waar hij woonde, nu is dat door zijn bloedlijn, een heel directe familieband, verwantschap, afkomst.

    Het lijkt erop dat Schaffer zich heeft laten beïnvloeden, deels voor wat betreft de thematiek (identiteit, plaatsbepaling), deels voor wat betreft de vorm (extensieve genummerde opsommingen, lijsten), door de poëzie van de nieuwe generatie dichters, althans: een specifieke ‘streng’ daarvan: dichters als Radna Fabias en Maarten van der Graaff. De soms buitengewoon lange gedichttitels (vaak drie of zelfs vier regels lang) doen wat betreft dat aspect denken aan die van Nachoem Wijnberg. Een frase als ‘niet langer vrees ik hun gezindheden’, in idioom en constructie, aan Mustafa Stitou (‘niet langer vrees ik uw toorn vader’).

    Het getuigt van kracht, vitaliteit en zelfvertrouwen het werk van ándere dichters (andere stemmen) in het eigen werk te laten doordringen, -sijpelen; en daarmee enerzijds dat andere werk te absorberen en incorporeren, te laten echoën en resoneren in de eigen poëzie; anderzijds de eigen poëzie te laten kleuren door die van anderen (dit is integratie in eigenlijke zin; een wederzijds proces van inhaken van weefsels op elkaar). Een (veer)kracht, vitaliteit en zelfvertrouwen waaraan het – kennelijk – in de meeste westerse culturen ontbreekt, alle nationalistische grootspraak en snoeverij ten spijt.

    Alfred Schaffer is de zoon van een Nederlandse (Limburgse) man en een Arubaanse vrouw. Beide ouders zijn overleden. Het ligt dan ook bijna voor de hand het openingsgedicht, ‘Mira akí!’, autobiografisch te lezen: ‘ik kan niet slapen/ ijzig nachtlicht houdt mij wakker.// klim ik uit bed loop in het pikkedonker naar de keuken./ beer onder mijn arm geklemd.// hel schijnsel en twee schaduwen achter het aanrecht.// een witte en een zwarte./ bezig aan de afwas.// (...) ik droomde dat ik jullie in mijn eentje moest begraven/ zeg ik niet terwijl ik in mijn ogen wrijf.’

    Een sleutelpassage biedt het gedicht ‘Impromtu’: ‘[okay u speelt een mens die zijn dode omgeving leven/ in wil blazen. in feite zijn bloedeigen moeder.’ Schaffer (of zijn ‘verteller’) wil zijn moeder leven inblazen, ‘oproepen’, een stem geven. Hij treedt in zekere zin op als de ghostwriter van zijn moeder, als haar vertegenwoordiger – hij maakt haar weer ‘tegenwoordig’. Of juist andersom (gezegd): zijn overleden moeder is zijn souffleur, inspirator, inblazer. Zijn moeder geeft hém stem, blaast hém (nieuw leven, nieuwe poëzie) in.

    Het vijfde deel van de reeks ‘Decorbouwen in het donker voor dummies – een verslag’ eindigt met de regels: ‘ik spring en ik schreeuw ik zwaai wild met mijn armen./ al was het maar in mijn gedachten.’ Een implosieve lading – alsof de energie zich naar binnen richt, wordt ingeblikt; ingesnoerd onder een strakgespannen oppervlak.

    Vormtechnisch ligt de focalisatie (‘het perspectief’) bij de moeder. Zij, een zwarte vrouw, was in het bezit van een mulo-diploma en ging van Aruba naar Nederland, waar zij verpleegster werd. ‘ik was rap met de injectienaald, leerde waar de ziel zat/ tijdens pathologische anatomie met mijn witte kapje op/ mijn huid gepoetst was ik een zwetend apparaat.’ (uit het gedicht: ‘Wat kan ik mij herinneren’).

    Bij de aankomst in Den Haag voltrekt zich de ontmoeting met de Arubaanse vrouw in eerste instantie wat ongemakkelijk: ‘iedereen zat aan mijn haar en iedereen/ had van die dringende vragen die niet werden gesteld.’ In andere gevallen is er sprake van flagrant en onverholen racisme: ‘één keer fluisterde een vrouw u mag mij niet verzorgen (...) kom ik draai u op uw zij maar ze lispelde u/ mag mij niet verzorgen uw handen geven af uw handen geven af u/ mag mij niet verzorgen uw handen geven af’ (‘Impromptu’).

    Het titelgedicht, ‘Wie was ik’, telt precies 100 regels – 100 strafregels. Waarom strafregels? Gaat het om een zelfopgelegde ‘straf’ of taak, een opdracht of plicht, van zichzelf aan zichzelf (voor of namens zijn moeder)? Strafregels hebben ook alles te maken met: memoriseren (het geheugen, de herinnering), internaliseren, zich inprenten.

    Hoe dit ook zij, de taak is volbracht. Waar Mens Dier Ding mythisch en episch was, durft Schaffer in wie was ik. strafregels juist de ‘kleine geschiedenis’ van zijn bloedeigen moeder te vertellen, een (meer) persoonlijke, particuliere geschiedenis. Daarbij zet hij de ‘lyrische lijn’, die was ingezet met Mens Dier Ding, voort.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2020
    RecensentWillem Thies
    Editie2020-3