Recensies

  • Joodse gedichten

    Nachoem M. Wijnberg
    Joodse gedichten
    Doel met krijt getekend op de Klaagmuur

    Een iconische uitspraak van Lev Vygotski (18961934) luidt: ‘Een woord dat geen gedachte herbergt is een dood ding, net zoals een gedachte die niet vergezeld gaat van woorden in de schaduw blijft.’ Taal is essentieel voor het denken; als je iets niet goed kunt zeggen, kun je dat ook niet goed dénken. Taal is niet zozeer een middel om onze denkbeelden uit te drukken; ons denken wordt juist geherstructureerd (of gecompleteerd, aldus Vygotski) als het in taal wordt uitgedrukt.

    Ik weet niet of de Russische psycholoog van Joodse afkomst Vygotski al is opgedoken in het dichtwerk van Nachoem M. Wijnberg, maar het zou zomaar kunnen. De poëzie van Wijnberg is een denkexercitie – een middel om tot kennis te komen, tot weten, althans: tot (beter) begrip. Door middel van (het procedé van) poëzie onderzoekt de dichter (of zijn lyrisch ik) de werkelijkheid. We kunnen niet nadenken zónder taal, taal (her)structureert ons denken. Wijnbergs poëzie is essayistisch, verkennend, toetsend, onderzoekend.

    In zijn jongste bundel, Joodse gedichten, staat de joodse identiteit centraal: het joodse ‘aspect’, de joodse geschiedenis (óók de persoonlijke, particuliere joodse geschiedenis van Wijnberg zelf), de joodse cultuur, het joodse denken, het joodse geloof.

    Talloos zijn de referenties aan joodse denkers en historische gebeurtenissen die het jodendom hebben geraakt en gevormd. Vaak resoneert de gewelddadige geschiedenis (de vervolging, het bloedvergieten) op de achtergrond, zonder dat deze wordt geëxpliciteerd. In het gedicht ‘Daar loopt de Spinozist’ wordt de filosoof Spinoza ten tonele gevoerd: ‘Nederlands’ rationalistisch en verlicht denker, maar óók: zoon van uit Portugal gevluchte joden, verstoten, verdreven. Spinoza als exponent van de eeuwenlange jodenvervolging. Deze ‘achtergrond’ is in het licht van deze bundel niet een ‘detail’ maar zeer betekenisvol: voorgrond, bepalend, doorslaggevend. Spinoza is niet ‘zomaar’ een ‘Nederlander’, hij is een in de Republiek geboren Portugees van Sefardisch-Joodse afkomst.

    Niet alleen in het Spanje van de Reconquista (de ‘herovering’ van het Iberisch Schiereiland op de Moren) maar ook in tsaristisch Rusland werden de joden fel vervolgd en verdreven. Daar circuleerde het vervalste propagandistisch pamflet De protocollen van de wijzen van Sion (1905), waarin werd geïnsinueerd dat er sprake was van een ‘zionistische samenzwering’ om de wereldheerschappij te vestigen. In de nadagen van het tsaristische rijk vonden meerdere golven van anti-joodse pogroms plaats.

    De historische verwijzingen zijn soms zeer specifiek: zo refereert de gedichttitel ‘Lang leve de wereld, alles voor iedereen’ aan de laatste woorden op het zelfmoordbriefje van de Joodse socialistische auteur Aaron Samuel Liebermann, die hij in het Jiddisch op 18 november 1880 noteerde.

    In het gedicht ‘Heilig, heilig, heilig’ staat de strofe: ‘Daarom stelde Yeshayahu Leibowitz voor/ om van de ruimte voor de Klaagmuur een dansvloer te maken.’ De hybride en controversiële figuur Leibowitz (enerzijds een ultraorthodoxe jood, anderzijds een klassieke liberaal, progressief) veroordeelde de verering van joodse altaren, en verwees provocerend naar de Klaagmuur als het ‘Discotel’: een samentrekking van ‘Discothèque’ en ‘Kotel’ (‘Muur’ in het Hebreeuws, ‘Klaagmuur’). Op een dieper niveau is het natuurlijk wezenlijk de vraag of de directe omgeving of context van een authentiek bouwwerk of historisch object deel uitmaakt van (en dus afbreuk kan doen aan) die ‘authenticiteit’ (of, voor mijn part, ‘heiligheid’): graffiti op de piramiden, een voetbaldoel getekend met krijt op de Klaagmuur. Is een historische site of locatie heilig? En zo ja, kan een efemere toevoeging aan die ‘site’ zijn heiligheid schaden, of tenietdoen?

    Met pen maakte ik aantekeningen in deze bundel: overwegingen, achtergrondinformatie, onderstrepingen, kringen rond woorden als ‘trein’, ‘reis’, ‘bladzijden’, ‘steen’, ‘scherven’, ‘breken’, ‘muren’, ‘papier’, ‘stad’, ‘wereld’. Zijn het kanttekeningen? Maken ze deel uit van de authenticiteit van het (dicht)werk? Of vormen ze graffiti, kleine verminkingen? Of completeren ze het, ‘vervolledigen’ ze het denkwerk? Zoals taal onze gedachten completeert? Maken ze van een monoloog een dialoog? Van een particuliere gedachtegang een gesprek?

    UitgeverPluim
    Jaartal2020
    RecensentWillem Thies
    Editie2021-1