Recensies

  • Veldwerk

    Bernke Klein Zandvoort
    Veldwerk

    Het bijeenknipperen van een stromende werkelijkheid

    In 2013 was debutante Bernke Klein Zandvoort een verrassende nieuwe stem; haar bundel Uitzicht is een afstand die zich omkeert werd prompt genomineerd voor drie prijzen (onder andere de C. Buddingh’prijs), waarvan er één werd verzilverd. Zeven jaar later is er nu een opvolger; de dichter heeft duidelijk de tijd genomen om rustig aan iets nieuws te bouwen.

    Net als de debuutbundel verrast Veldwerk al bij het openslaan van de inhoudsopgave: ditmaal zweven de titels, die zonder uitzondering uit één woord bestaan, rond in de ‘ruimte’. Alsof ze wat lucht hebben gekregen. Het wijst ook op de beeldende inslag van de dichter, die de opleiding Beeld & Taal volgde aan de Rietveld Academie en ook beeldend kunstenaar is (ze behaalde een master aan de Slade School of Fine Art in Londen). In haar debuutbundel bestond de inhoudsopgave uit zinnen die zo lang waren dat het geheel wel een gedicht op zich leek – of een verhaal: ‘achter de kat die ’s ochtends binnenstapt, strekt de nacht zich uit/ augustus was overrijp en ik had mijn bedenkingen.’ De vrij zwevende woorden zijn een doorbreking van de conventionele opsomming van titels onder elkaar, waar kennelijk de blik van een beeldend kunstenaar voor nodig was.

    Het ruimtelijke en visuele speelt ook in de gedichten een grote rol: er zijn veel verschillende (open) ruimtes aanwezig, die vaak niet worden gepreciseerd. Maar bovenal wordt er veel en nauwkeurig geregistreerd. Niet alleen met de ogen maar ook met het denken; dat lijkt bij Klein Zandvoort wel een zintuig op zich, het stuurt de waarneming, bijvoorbeeld in een regel als: ‘golven klinken als ademhalingen’ of, over een dokter: ‘hij stapelt zijn papieren om de zin het uiterlijk van een antwoord te geven’. En zelfs van het denken zelf is de dichter zich (over)bewust:

    spierkabels vertellen onophoudelijk aan mijn hoofd
    uit welke lengtes ik besta [...]

    De denkerige aard van de poëzie doet denken aan het werk van dichter K. Michel, die ze dan ook niet toevallig in 2013 uitkoos voor de reeks ‘Debutant interviewt voorbeeld’ in Awater. Net als Michel stelt ze in haar werk vaak verwonderd vragen over de wereld, over hoe (merkwaardig) die in elkaar zit. Zo schrijft ze naar aanleiding van het feit dat ze heeft ‘gelezen dat we met onze ogen knipperen/ niet, zoals eerst werd aangenomen/ om onze pupildobber half in de wereld/ half onder een laagje water te houden’, maar om ‘onze hersenen rust te gunnen’. Dit roept bij haar de vraag op:

    doen we met onze ogen dan niets anders
    dan het bijeenknipperen van een stromende werkelijkheid?

    De vraag is veelbetekenend de slotzin van het gedicht: conclusies over de wereld krijgen een vraagvorm, niets ligt vast. De onzekerheid en onduidelijkheid over hoe de wereld in elkaar zit is een gegeven waartegen overigens ook niet gestreden wordt; het is eerder de grondstof voor deze poëzie.

    De registraties, vragen en ‘bronnen van verwondering’ in de gedichten komen van de meest onverwachte kanten, en stuwen de gedichten ook vaak alle kanten op. ‘Hoe vind je houvast in een wereld waar alles caleidoscopisch beweegt?’ zo werd de debuutbundel geïntroduceerd. Dat houvast, of de samenhang is in de gedichten regelmatig lastig te vinden. Niet alleen de wereld en de dichter, maar ook de lezer ontbreekt het er soms aan, wat ook wel in de weg zit. Anderzijds hoeft niet alles naadloos op elkaar aan te sluiten en begrepen te worden, zoals een schilder in een gedicht al zegt: ‘er moeten altijd stukjes zijn/ die tegenwerken, dat maakt het schilderij echter’.

    De beeldende inslag van Klein Zandvoorts werk is zelfs terug te zien in de letterlijke ruimte van de bundel: sommige gedichten ‘communiceren’ met elkaar, reiken als het ware naar elkaar over de rand van het gedicht (of de bladzijde), waardoor de conventionele grenzen van het gedicht worden opgerekt. Zo is een woord uit het gedicht ‘jaren’ op de pagina ernaast beland, en druppelen er soms woorden uit het ene gedicht door in de erop volgende gedichten, zoals de frase ‘er is een nacht in de nacht’ (uit het gedicht ‘nacht’) en ‘blik’ (uit ‘voorwerp’). Overigens spelen opvallend veel gedichten zich af rondom begrippen als ‘nacht’, ‘droom’ en ‘slaap’ en ‘donker’. De droom levert een al niet minder bevreemdende wereld dan de ‘gewone’ wereld overdag.

    Naast de blik van de dichter wordt de omringende wereld opvallend vaak geregistreerd via het beeld van een camera, een contrast met de blik van de dichter; waar een camera niet anders doet dan louter registreren, kent de dichter (veel) betekenis toe aan het geregistreerde:

    als ik naar iets kijk lijkt het of ik splits
    in een lichaam en een blik
    het statief blijft achter

    meer dan mijn lijf ben ik wat ik zie

    Maar er zijn, zoals ze zelf ook schrijft, ‘gelukkig nog plekken te onbegaanbaar om een camera te plaatsen’.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2020
    RecensentKiki Coumans
    Editie2021-1