Recensies

  • Ademhalen onder de maan

    Ingmar Heytze
    Ademhalen onder de maan

    Een goed moment om een moord te beramen

    Ingmar Heytze schrijft in een opvallend herkenbare stijl. Toch is zijn poëzie in de loop der jaren ook veranderd, de gedachten zijn sensitiever, de woordkeus is preciezer, de vorm strakker. Ook zijn de gedichten minder uit op de lach. Er schuilt een verfijnde gelaagdheid in zijn nieuwe bundel Ademhalen onder de maan. De bundel opent met het gedicht ‘Kumari’ waarmee de lezer meteen verwelkomd wordt in het universum van de dichter dat bepaald wordt door opmerkelijke indrukken en berichten:

    Ergens in de wereld laat een kunstenaar een enorme rubber
    eend te water. In een ander land overvalt een vrouw een bank

    met een pak melk als wapen. Elders schildert een man uit
    zichzelf een zebrapad, staat een jongen, ter vervulling

    van zijn laatste wens, drie dagen opgebaard in de woonkamer.
    Een babywalvis denkt dat een schip zijn moeder is en sterft

    na enkele dagen meezwemmen door ondervoeding. [...]

    Je zou een heel gedicht aan de hartverscheurende vergissing van deze walvisbaby kunnen wijden, maar Heytze noemt het en passant, tussen de andere observaties en nieuwsberichten. Hij heeft een scherp oog voor het drama in kleine nieuwsfeitjes, maar noemt ze even terloops als dat ze tot hem komen. Ook weet hij alledaagse belevingen mooi in beelden te vangen. Zo beschrijft hij een wasstraat met zijn ‘sponzen en sproeiers en wuivende gordijnen’ en de ‘tollen met paniekerige zeemleerledematen’.

    Echt sterk wordt zijn poëzie als hij zich naar binnen richt en ook de consequenties van zijn indrukken beschrijft. In het gedicht ‘Wasstraat’ staat bijvoorbeeld de regel: ‘Dit is een goed moment / om een moord te beramen of een godsdienst te beginnen.’ Hiermee wordt de wasstraat ineens een symbool van de vervreemding waaraan we dagelijks zijn overgeleverd; de isolatie en ook de machteloosheid van zo’n moment worden werkelijk voelbaar.

    Een vergelijkbare regel komt uit het gedicht ‘Achter de spiegel’: ‘Ze is het verleerd om met visite om te gaan.’ Een schijnbaar achteloze opmerking, maar wat een eenzaamheid, wat een alledaags drama wordt er in deze regel samengebald. Toch worden zijn gedichten nergens echt pijnlijk. De kleine tragedies blijven gepaard gaan met een spitsvondig gevoel voor humor.

    In het gedicht ‘Chaser’ gaan gedachte en observatie op schitterende wijze samen:

    In Amerika houdt een bordercollie
    duizend speeltjes uit elkaar. Feilloos haalt ze
    pop of rubberkip of bal of frisbee tevoorschijn
    uit een andere kamer, van achter een zwart gordijn.

    Ik weet inmiddels wel dat ik besta, dat falen
    even weinig zegt als slagen, dat vragen die
    beginnen met waarom verkeerde vragen zijn

    dat ik daardoor niet goed slaag en als ik slaap
    hardnekkig van gordijnen droom.

    Afgezien daarvan ben ik een hond. Iemand
    leerde me de woorden, fluistert in mijn oor
    over twee kamers en wat waar vandaan te halen
    en ik ren en blaf en doe apport.

    Ja, zo is het! dacht ik na het lezen hiervan. Veel meer is er niet. We leren de dingen uit elkaar te houden, de bijbehorende woorden en rennen van de ene plek naar de andere om alles wat we geleerd hebben steeds opnieuw te bevestigen. Het is Heytze op zijn best: hij beschrijft in puntige regels iets wat hem is opgevallen, dit keer wellicht op televisie of internet – een bordercollie die ‘duizend speeltjes’ uit elkaar houdt – legt een verband met zijn eigen leven en sluit af door de twee bijeen te brengen in een licht absurdistische gelijkenis. Het is misschien een formule die hij vaker toepast en toch weet hij zichzelf ermee te overtreffen. Dit is een gedicht dat over de zinloosheid van het leven gaat, maar met een lichtzinnigheid die deze zinloosheid eerder onzinnig dan droef maakt. Zo eindigen we toch weer met een lach. En dat is prettig.

    UitgeverPodium
    Jaartal2012
    RecensentJannah Loontjens
    Editie2012-1