Recensies

  • God gaf ons apparaten

    Sylvia Hubers
    God gaf ons apparaten

    De Goede Heer liet ons voor straf uitglijden

    Het is altijd een beetje riskant om de achterflap van je bundel vol te stouwen met lovende woorden van anderen. Die loftuitingen kunnen in de boekhandel een aarzelende koper misschien over de streep trekken, maar ze maken de lezer thuis een beetje argwanend: kunnen deze gedichten niet voor zichzelf spreken?

    De gedichten van Sylvia Hubers kunnen dat uitstekend. God gaf ons apparaten is inmiddels haar vierde dichtbundel. Ze debuteerde acht jaar geleden, en haar derde bundel, Vandaar dit huwelijksleven, betekende zo’n beetje haar doorbraak. In een interview in NRC Handelsblad wijdde ze ooit uit over de baantjes die ze in haar leven had gehad, maar geschikt leek ze noch voor stadsbrandwacht, noch voor verkoopster in een feestwinkel. Te aarzelend tegen klanten in de winkel, te verlegen. Van die verlegenheid is op papier bijzonder weinig te werken. Een enigszins onhandige manier van in het leven staan heeft ze in de taal in haar voordeel aangewend. De klungeligheid van de mens in het algemeen, de rol van alcohol daarbij, en die van God, en het kostbare, fragiele bezit van familie, dat is waar het in deze bundel om draait.

    Hubers heeft een weinig vrolijke, maar toch luchtige en vooral nuchtere manier van naar de dingen kijken. Dat resulteert op papier in gedichten waarin de taal vaak botst met het geobserveerde – of het bedachte – , en dat heeft nogal eens een (tragi)komisch effect.

    We dronken tot we scheel zagen en de Verkeerde Heer
    dankten voor Zijn goede gaven waarvoor we werden gecorrigeerd
    door de Goede Heer die ons voor straf liet uitglijden
    over een gereformeerd parochieblad dat glibberig
    was geworden door de regen die ook al veelvuldig viel in
    onze straat.

    Het is soms alsof je naar slapstick zit te kijken, waarin de hoofdpersoon zijn eigen tekortkomingen en onbegrip in de etalage zet. Soms beschrijft Hubers vooral een louter groteske situatie, zoals hier:

    Ik schrok van de zijwaartse bewegingen die mijn man,
    mijn enige man, begon te maken.
    (...)
    Verder ging alles helemaal goed, hoor. Ik liep
    met hem mee. Ik ben een gewone vrouw, die haar man
    niet afvalt. En zijwaartse bewegingen zijn raar, maar ze
    doen geen kwaad. Als het schadelijk zou zijn om met zijn
    tweeën zijwaarts te lopen zou het wat anders zijn.

    Al heeft dit gedicht bij nader inzien toch ook een feministisch kantje, en blijkt het behalve over een vrouw die zich over weinig meer verbaast, te gaan over het aanpassingsvermogen van vrouwen in het algemeen.

    Sylvia Hubers heeft een tamelijk praterige manier van schrijven, en een cabaretesk gedicht als het bovenstaande zal het ongetwijfeld ook goed doen in de voordracht. Dat spreektalige en op effect geschrevene maakt ook dat beslist niet alles in deze bundel even sterk is. Er zitten evengoed teksten tussen die blijven hangen in een aardig idee, of in een matig uitgewerkte flauwigheid. Op dat soort momenten heeft het werk te weinig vorm, en is haar taal niet krachtig genoeg om dat gemis op te vangen.

    Hubers’ beeldende manier van kijken en verwoorden wordt het meest op scherp gezet in gedichten die dicht op het leven staan, zoals die over zwanger zijn, over ziekte, dood. Het titelgedicht is niet voor niets een van de mooiste uit de bundel:

    We konden repareren tot in het oneindige. God had ons
    allerlei apparaten gegeven. En technieken. Bouwplannen.
    Verbetertrajecten. Toch wilde de oude man niet verder gerepareerd
    worden. Er scheelde van alles aan hem. Zijn benen
    liepen als een roestige tractor

    Even werpt Hubers hier een helder, eenvoudig licht op ingewikkelde levensvragen.

    UitgeverPrometheus
    Jaartal2011
    RecensentJanita Monna
    Editie2012-1