Recensies

  • Kluwen

    Eva Gerlach
    Kluwen

    Mee met de wind

    Als ik met mensen spreek die zelden poëzie lezen, krijg ik soms het idee dat een dichtbundel maar een eng ding wordt gevonden. Het is niet dat men zich door de moeilijkheidsgraad van poëzie laten afschrikken, zoals altijd gedacht wordt, maar soms weet men niet hoe een bundel te lezen. Die daagt je immers uit om van het kleinste detail naar het grootste geheel heen en weer te bewegen: van de versregel over het gedicht naar een afdeling, een boek of een heel oeuvre. Poëzie vraagt om flexibiliteit, nieuwsgierigheid en oefening. Daartoe is zeker niet iedere lezer bereid.

    Om het werk van Eva Gerlach te begrijpen, moet je zo’n geoefende en nieuwsgierige lezer zijn. Niet alleen vragen haar ‘samengebalde’ versregels om een geconcentreerde lezing, ook is er kennis van een gehele bundel en het oeuvre nodig om individuele gedichten te waarderen. Gerlach beschouwt haar werk als een telkens wijzigend geheel waarin alles naar alles verwijst. Zo waren in de verzamelbundel Het gedicht gebeurt nu. 1979-2009 (2010) de gedichten en afdelingen herschikt tot een nieuwe eenheid. Kluwen, de eerste nieuwe dichtbundel na het verzameld werk, blijkt het openingsdeel te zijn van een drieluik in poëzie en proza, Ogen wijdopen. Die titel is geleend van een passage uit Gerlachs Solstitium (2000): ‘het labyrint/ van tijd waarin we naar het midden lopen/ of we willen of niet ogen wijdopen’. Dit citaat presenteert de belangrijkste thema’s van de bundel in een notendop: onder meer het verband tussen ruimte en tijd en het vermogen om waar te nemen (tegenover de vermogens om te herinneren en te denken).

    Deze thema’s worden als ‘kluwens’ met elkaar vervlochten in een aantal veelbetekenende metaforen. Eén daarvan is ‘tumbleweed’, het gedeelte van sommige planten dat zich van de moederplant loslaat en door de wind laat meevoeren. Bij Gerlach staat het tumbleweed symbool voor het bevruchten en het voortgaan van de generaties, voor het toeval, voor de versmelting van dood en leven. Tumbleweed is dood, maar verspreidt tegelijkertijd het zaad van de moederplant en brengt zo nieuw leven voort.

    We lezen over tumbleweed in een afdeling met die naam: ‘Vaders rollen op wind, hebben geen gezicht, geen/ geur’. De verhouding met de gestorven vader speelde overigens al in Solstitium een rol (‘Mijn lichaam heeft een vader dood, het wil/ niet voort, ik zit ermee’). In de gedichten van ‘tumbleweed’ verrast Gerlach met een verrassend perspectief op de dood. Het tumbleweed verdwijnt bij de horizon uit het oog: ‘aan de horizon de goocheltruc’. Hiermee maakt Gerlach de dood niet tot een verdwijning, maar eerder tot een uit-het-oog-verliezen. We zien de doden niet meer omdat ons waarnemingsvermogen tekortschiet.

    Andere gedichten sluiten bij die thematiek aan. Zo is er een gedicht over de cycloop die door Odysseus werd blindgemaakt maar zich nog altijd laat leiden door het kompas dat door de Griekse held werd achtergelaten. Ergens anders lezen we over een vader die zijn kind vertelt over een kabouter die verdwijnt wanneer je ‘weg’ zegt. De moeizame band tussen vader en kind wordt gesuggereerd wanneer dat kind dezelfde verdwijntruc met de vader probeert uit te halen: ‘Op de boot wuif ik zo/ hard ik kan naar de kade’, maar ‘hij blijft staan’. Via dit thema van het vertrekkende schip word ik weer naar gedichten geleid die gaan over een reiger in zijn vlucht, en zo dwaal ik langs alle verschillende wegen die de bundel me aanbiedt.

    Het is onmogelijk om in zeshonderd woorden één pad aan te geven dat de lezer van Kluwen zou moeten volgen. Maar Gerlachs boeken zijn dan ook vooral interessant voor de lezers die bereid zijn zelf hun weg te zoeken en een dag later weer een andere route door het labyrint te zoeken. Hopelijk komen ze nooit ‘in het midden’ uit.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2011
    RecensentLaurens Ham
    Editie2012-1