Recensies

  • We konden alle kanten op

    Ad Zuiderent
    We konden alle kanten op

    Huilen bij een banjo

    Ad Zuiderent (1944) was nooit een heel spontaan, laat staan naïef dichter. In zijn gedichten streden eruditie en emotie, verstand en sentiment om voorrang, een strijd die nogal eens beslist werd in het voordeel van eerstgenoemde eigenschappen. Een vakman ook die wist wat hij deed. Begonnen met breed uitwaaierende, woordenrijke verzen die aan de Vijftigers herinnerden, raakte hij al spoedig in het spoor van wat de weloverwogen, reflecterende gedichten die bijvoorbeeld in het blad De Revisor werden geschreven, wel met een persoonlijke inzet maar toch ook altijd met een snufje eeuwigheid, universeler gedachtengoed.

    Toen de Maximalen midden jaren tachtig de poëzie kwamen binnenzetten verwees hij hen naar een dichter als Robert Anker, ook van het toenemende straatlaweit maar afstandelijker en weloverwogener. Zelf is Zuiderent op zijn eigen wijze die kant ook opgegaan en in zijn jongste, inmiddels negende bundel bezingt hij zelfs de vrijheid en de losheid van alles. We konden alle kanten op begint met een veelzeggend credo:

    Volg de weg die niet blijft waar hij is,
    verdwijn langs het pad dat wijkt
    van het rechte, in een landschap
    dat boven zichzelf zich verheft,
    fietser, geniet van de breuk in de verte,
    ga op in de vrijheid van kronkels,
    vergeet wie je bent, wie houdt je tegen.

    Hij moet het nog altijd wel met een zekere nadruk tegen zichzelf zeggen, het gaat niet vanzelf, maar niettemin: hier zien we een Zuiderent die naar alle kanten open wil staan. Allicht is dat een met de leeftijd samenhangend verlangen, twee keer zo oud als Alexander de Grote en Jezus, wil hij nu wel eens van het volle leven genieten, lijkt het. Wat niet wegneemt dat deze bundel nog altijd vol levensvragen staat, over onze bestemming, over de keuzes die we moeten maken, de betrekkelijkheid van alles. Letterlijke vragen ook: ‘Ben ik’? , ‘Is dit gewenst’? ‘Zou een gebeurtenis ertoe doen?’ In tamelijk lange en in toenemende mate ook praterige gedichten zoekt Zuiderent niet zozeer naar bevredigende antwoorden op de levensraadsels als wel naar tevredenheid, modus vivendi.

    In diepste zin probeert hij geloof ik steeds de jeugd, het verleden, te verzoenen met de tegenwoordige tijd van een ouder wordende man. Dat doet hij bijvoorbeeld door door zijn geboortestreek, ‘het openluchtmuseum van oudste gevoelens’, te fietsen, oude vakanties op te halen, bij zijn oude moeder te rade te gaan in de mooie ‘Hiernamaals-variaties: ‘’is het wat, / is het wat je gedacht had, of zeg je het is het / niet waard; ieder antwoord is goed’.

    Veel gedichten met landschappen, natuur, herinneringen, maar ook gedichten waarin hij zijn artistieke ankerpunten bezingt, de koffiekannen van Klaas Gubbels, muziek van Ann en Kate McGarrigle, Bob Dylan met wie hij zich zo graag verwant zou voelen, geest van verzet, maar achter wie hij zijn eigen christelijker klanken hoort:

    ‘Dachten dat we waren van de jaren van Bob Dylan,
    hoorden dat we waren van de jaren van daarvoor,
    dat we huilden bij een banjo in de verte, bij de armoe

    van het prijzen van de Lord’

    Een karakteristiek vers, niet het verzet en de ontzuiling van de jaren zestig hebben hem bepaald maar de braaf-christelijke achtergrond van daarvoor. Zuiderent is een dichter die zijn afkomst en achtergrond nooit verloochend heeft, al is hij wel de brede weg opgegaan. Niet door te vloeken en het verleden af te zweren maar door losser te worden. ‘Orgaandonatie’, weer zo’n karakteristiek gedicht: ze mogen van hem ‘de hele reut’ hebben, ‘maar laat ze heel, want als wij doden straks weer in den vleze zijn’. Eigentijds, maar zonder de erfenis te verkwanselen. Ik vind dat wel mooi, in feite brengt deze dichter de verlangens en dromen van een hele generatie in beeld die, strak opgegroeid, vrijheid heeft gevonden

    UitgeverQuerido
    Jaartal2011
    RecensentRob Schouten
    Editie2012-1