Recensies

  • De gong en de rookberg

    Piet Gerbrandy
    De gong en de rookberg

    De lezer wil iets van het gedicht

    Hoe doe je in een paar honderd woorden recht aan een vuistdik boek over lezen, geschreven door één van de meest geoefende lezers in dit land? Niet. De lezer van de lezer wordt met De gong en de rookberg streng en uitvoerig op de proef gesteld. Maar hij wordt in dit wetenschappelijk essayististische vertoog over het lezen van poëzie ook aangemoedigd om het stokje over te nemen en vooral te blijven lezen.

    In de brede zin van het woord is ‘lezen’ een primaire levensbehoefte. Het is wat iedereen de hele dag aan het doen is om te kunnen functioneren: interpreteren, omzetten, vertalen, begrijpen. Ook in een engere zin kan het aanvoelen als iets onontbeerlijks. Michaël Zeeman jatte naar verluid zijn halve bibliotheek bij elkaar, naar ik aanneem omdat hij meende dat hij zonder literatuur niet kon leven en zich tegelijkertijd een aanschaf niet kon veroorloven. Ook voor Piet Gerbrandy is lezen allesbehalve een vrijblijvende activiteit: de passie en liefde waarmee hij de teksten in De gong en de rookberg tegemoet treedt is constant voelbaar.

    Dat we het allemaal constant doen maakt lezen nog geen gemakkelijke bezigheid. Het is een creatief proces dat inzet, welwillendheid en talent vergt. Reflecteren op mogelijke manieren van lezen vormt één van de kernbezigheden van de geesteswetenschappen. Grosso modo mogen we stellen dat de hedendaagse consensus inmiddels is dat het geven van een definitieve lezing van een tekst onmogelijk is. Sterk beïnvloed door de hermeneutiek is het inzicht ontstaan dat wat je wél kunt doen neerkomt op het aangaan van een dialoog met de te lezen tekst, proberen te achterhalen naar welke andere teksten die tekst refereert en daar een betekenis aan toe kennen.

    Blijvend discussiepunt is in hoeverre een lezer vrij is, dan wel genoodzaakt, zijn eigen theoretische bronnen en overtuigingen te expliciteren en mee te nemen in de lezing. In de recente literatuurwetenschap worden literaire teksten regelmatig gebruikt als object voor kritische politieke analyse. Meer klassieke literatuurwetenschappers, stiekem op zoek naar een sluitende definitieve lezing, beklagen zich over het verdwijnen van de brontekst achter ideologische rasters. Cultuurwetenschapper Mieke Bal ontwikkelde daarom haar in academische kring veelbesproken notie die oproept ‘to let the object speak back’. Gerbrandy sluit zich hier impliciet bij aan wanneer hij het belang benadrukt te blijven ‘luisteren’.

    Het boek komt samen in het slothoofdstuk waarin Gerbrandy terugkeert naar de Fysica en Metafysica van Aristoteles om van daaruit zijn eigen positie als lezer te duiden. In verwijzing naar het beroemde onderscheid van de ‘vier oorzaken’ komt Gerbrandy tot een interpretatiemodel waarin de rol van de lezer oorzakelijk is. Dit gebeurt niet waardevrij: ‘de lezer wil iets van het gedicht’. In het geval van Gerbrandy is dat: een ideale, zij het niet de enige of de laatste, lezer van H. H. Ter Balkt en Jacques Hamelink zijn. Om die ambitie waar te kunnen maken moet een lezer interveniëren in de tekst (lezen) om het tot gedicht te maken. Het is de taak van de lezer de ontstaansgeschiedenis en aard van die interventie te beschrijven en, zou Gerbrandy zeggen, als leesvoorstel aan te bieden.

    Zo’n interventie is nooit gemakkelijk en haast ondoenlijk in het geval van de gedichten in Laaglandse hymnen en Zilverzonnige en onneembare maan. In de inleiding op zijn boek constateert Gerbrandy zelfs dat in de bundels van respectievelijk Ter Balkt en Hamelink zulke ondoordringbare teksten zijn opgenomen dat veel literaire recensenten in hun besprekingen
    de neiging hebben gehad te volstaan met halfslachtige en min of meer abstracte algemeenheden bij het karakteriseren van de gedichten. Weinigen deden een poging de teksten ook daadwerkelijk te lezen en duiden.

    De gong en de rookberg is het resultaat van de buitengewoon grondige en gepassioneerde poging om die lacune op te vullen. Het proefschrift vormt tegelijkertijd een inzicht in de lezerspoëtica van recensent en wetenschapper Gerbrandy en een duizelingwekkende filologische inventarisatie van de bronnen die hij bij de gedichten van Ter Balkt en Hamelink wist te traceren. De eindeloze opsommingen vormen op zichzelf haast een experimenteel prozagedicht. Pas in tweede instantie levert het ook een daadwerkelijke duiding van een deel van de gedichten.

    Dat ook zijn lezing beperkt is, geeft Gerbrandy veelvuldig aan. Toch slopen er ook vooringenomenheden in het boek waarvan het verwondert dat hij verkiest ze niet problematisch te vinden. De meest opvallende en raadselachtige is de voor Gerbrandy kennelijk evidente opvatting dat Ter Balkt geen ‘geëngageerd’ schrijver zou zijn. Met evenveel, of meer, recht zou je echter kunnen stellen dat Ter Balkts poëtische herschrijving van de Laaglandse geschiedenis, vol kritiek op funderende figuren als Calvijn en Willem van Oranje, waarvan Gerbrandy zelf meermalen opmerkt dat deze is geschreven vanuit een kritiek op misstanden in de ‘Laaglandse cultuur’, één van de meest geëngageerde projecten is in de naoorlogse Nederlandse poëzie. Kennelijk is het woord ‘engagement’ zo besmet voor Gerbrandy dat ook als hij het aantreft hij weigert het mee te nemen in zijn lezing.

    Maar dit slechts als een terzijde. De gong en de rookberg is een buitengewoon rijk boek en je moet van goede huize komen om zijn leesvoorstellen in de wind te slaan. Taai kan de lezing ervan zo nu en dan wel zijn. Zo taai zelfs, dat je je afvraagt voor wie het boek op de markt wordt gebracht. Dat het gebeurt is lovenswaardig. De grote waarde ervan zit in de poëticale plaatsbepaling van Gerbrandy als lezer. Een dergelijk uitgewerkte reflectie op de eigen positie zou eigenlijk verplicht moeten zijn voor iedere recensent.

    UitgeverHistorische uitgeverij
    Jaartal2011
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2012-1