Recensies

  • Mensenhand

    Pieter Boskma
    Mensenhand

    De tweede schepping

    Wat krijg je als je de uiteenlopende dichters Gorter en Reve met elkaar kruist? De poëzie van Pieter Boskma. Boskma zal me deze vergelijking niet kwalijk nemen, hij zorgt er in zijn nieuwe bundel Mensenhand zelf voor dat ik er niet aan ontkom deze namen te noemen. Hij verwijst opzichtig naar zijn voorgangers, citeert soms zelfs letterlijk uit hun werk. Gorter klinkt duidelijk door in het mythische, het epische en het muzikale (‘o dit diffuse liefste licht’). En Reve resoneert in Boskma’s ironisch aandoende babbeltoon en de directe erotische beschrijvingen:

    of je haar
    dus met een lichte buiging een handkus moest geven,
    of meteen je tong in haar mond
    en een vinger in haar kutje, want zie
    haar ogen daar eens donker vonken
    bij de mast, zij weet wel van wanten,
    geen halfzacht gedoe met deze zuster...

    Kennis van de biografie van de dichter helpt bij de waardering van het werk, ook dat heeft Boskma met deze dichters gemeen. Zo is het bij het lezen van Mensenhand belangrijk om te weten dat de dichter recent een periode van rouw heeft doorgemaakt na het overlijden van zijn vrouw. Een gegeven dat weinig poëzielezers zal zijn ontgaan, zijn vorige bundel Doodsbloei (2010) was immers de weerslag van die periode. Deze opvallende bundel (vanwege het onderwerp, vanwege de omvang, vanwege het aantal herdrukken en ja, ook vanwege de kwaliteit) eindigde ermee dat de dichter zich weer op het leven richt.

    Dat is ook het startpunt van Mensenhand. Deze nieuwe bundel begint met een nieuw scheppingsverhaal, nadat de vorige wereld is vergaan. God, ‘zo stoned als een aap’, verveelt zich te pletter, zo zonder wereld, en besluit de wereld opnieuw te scheppen. Ditmaal schept hij de mens niet naar zijn evenbeeld, maar als ‘een scheppend wijfje’: Hera. Zij is in een vorig leven bij een vliegtuigongeluk omgekomen. Al wat Hera bedenkt, bestaat, en op deze manier roept zij de knappe ober Boske in het leven.

    Deze erotiserende verwijzing naar Boskma zelf is veelzeggend, als ook het gegeven dat hij bestaat doordat een dode aan hem denkt. Na het scheppingsverhaal (conclusie: het woord van de dichter kan het sterfelijke redden) komt de dichter zelf aan het woord in een afdeling die ‘De herademing’ heet. Vanaf dat moment is de lezer er getuige van hoe de dichter gedicht na gedicht – soms lyrisch, soms episch, soms gedeprimeerd, soms filosofisch, soms lollig – toewerkt naar de wat mij betreft nu al klassieke finale, ‘De grote verzoening’, een gedicht waarin de dichter zich op een muzikale manier met alles en iedereen verzoent:

    heden heeft de dichter Pieter Boskma
    zich verzoend met alle levende
    en ook alle dode dingen,
    met de fopneus en de klapsigaar,
    de kolder en de horeca, de euforie,
    de hernia, roept u maar, roep het
    bij zijn allerdiepste naam.

    De verteltoon is in deze bundel soms wel erg los. Op plaatsen waar de dichter wat theoretisch wordt is hij niet te beroerd om de lezer aan te moedigen het voorgaande nog eens over te lezen. Geregeld ook verliest hij zich in schijnbaar oeverloze, en soms ook wel wat flauwe uitweidingen over bijvoorbeeld koosnaampjes (’mensen geven elkaar nu eenmaal/ wonderlijke namen, Poepie, Scheet,/ dat soort shit alleen al’) of schaamhaar (‘al jarenlang/ kom je geen kutje meer tegen/ waarop ook maar één haartje bloeit’). Dat oeverloze zorgt ervoor dat de lading soms wel heel licht lijkt. Maar die lichtheid is verraderlijk. Boskma schrijft vrije poëzie, die toch heel strak is gecomponeerd; persoonlijke poëzie die toch alomvattend is; grappige poëzie die toch ernstig is. In Mensenhand kondigt hij zijn wedergeboorte aan: ‘Ik sta weer op scherp, leg mijn maskers af en trek/ mijn antennes uit de dood.’ En dat is goed nieuws.

    UitgeverPrometheus
    Jaartal2012
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2012-2