Recensies

  • Twee vogels één kogel

    Willem Thies
    Twee vogels één kogel

    Een sterke Koerd

    Het weidse Nederlandse landschap biedt ruimte aan vele dichters en aan minstens evenveel soorten poëzie. Die dichters leven in min of meer vreedzame coëxistentie. Slechts af en toe gooit iemand een klein kluitje modder, roept een dichter om meer straatrumoer of onbegrijpelijker teksten, en komen er een paar rimpels in de sloot. Soms gooit een andere dichter dan een kluitje terug, maar uiteindelijk mag eigenlijk alle poëzie.

    Willem Thies gooide in zijn debuut Toendra (2006), dat verscheen onder de vleugels van Gerrit Komij, een hand dichterlijke modder naar Ilja Leonard Pfeijffer en verweet hem in een parodistisch vers wankele ‘meccanowoordenbouwwerken’ te maken. Thies’ eigen gedichten bleken inderdaad het tegendeel van ‘orakelraaskal’ en de bundel opende veelbelovend met een onbehaaglijk gedicht dat zich afspeelde in een slachthuis. Kleine (en grote) levensraadsels, verpakt in heldere taal, dat was zo’n beetje waar Thies voor stond.

    Ook twee bundels later nog, in Twee vogels één kogel, met opvallend genoeg op de eerste pagina’s opnieuw dieren: pasgeboren biggetjes op de boerderij van opa.

    Soms werd er een onder het kolossale
    lijf van het moedervarken geplet

    dan raapte grootvader de warme big op en wierp
    hem in een metalen vat achter de stallen.

    Ondanks een verbod lichtten de broertjes stiekem het deksel van het gesloten vat: ‘We bevrijdden/ de gebottelde stank, roken aan de dood,// sloten haar gauw weer binnen.’

    Het is een mooi miniatuur, dit ‘Achter de stallen’: onschuldige, naïeve jongenslevens worden bezoedeld met de overweldigende geur van dood. Maar zoals in het debuut is ook dit ‘dode dieren-gedicht’ meteen zo’n beetje het sterkste van de bundel. De overige gedichten zijn merendeels vriendelijke verzen over soms ietwat onbehaaglijke onderwerpen. Er komt een fietsen makende Koerd in voor, een babymammoet, juttende zwevers, ouders en kinderen. Ze spelen zich af aan het einde van mei, of in juli. Ze onderzoeken dagelijkse rituelen en de door beeldschermen gedomineerde samenleving.

    De gedichten zijn vaak een stapeling van observaties, gescheiden door een witregel. Ze suggereren zo een zekere diepzinnigheid, of nodigen de lezer uit een verband tussen de beelden te leggen. Het is een veelbeproefde dichterlijke methode, maar de door Thies bijeengebrachte werelden vormen samen eigenlijk zelden een groter geheel. Neem het gedicht ‘Signaal’, hoogst actueel want handelend over een leven temidden van sociale media. Maar wel met slappe constateringen als:

    Verzamelen vrienden en gezichten
    in netwerken, de teller staat op honderddertig
    maar het bestand groeit gestaag

    als ik door dat van anderen blader.

    Dit is niets nieuws, dit is wat Facebook is. Maar nu? Stop die kleine mijmering, en laat voelen waaróm het onprettig is (of niet) om te ‘leven met ons hoofd verscholen/ tussen twee kaften, of zonder besef van de dag/ bedwelmd door een scherm.’ Liefst in onwelriekende regels zoals in ‘Achter de stallen’.

    Dat schurende bereikt Thies slechts in twee andere gedichten, en in beide duikt een Koerd op. Deze Koerd ‘is groot en sterk hij heeft gevochten/ om de aarde.’ Hier wordt in een quasi-onschuldig en licht gesprek, met een paar woorden en veel weglating, een pijnlijke wereld vol oorlog opgeroepen. De bundeltitel is afkomstig uit dit gedicht.

    Als Saddam dood is, zijn Iraki’s en Koerden vrij.
    Twee vogels, één kogel.

    Hij bedoelt twee vliegen, één klap
    maar Koerden denken groter.

    In het weidse Nederlandse landschap verschijnen per jaar ruim honderd dichtbundels, of nog meer, en daarvan zijn er een paar Heel Goed, enkele het lezen niet waard, en is het overgrote merendeel wel aardig. Twee vogels een kogel is er een uit die laatste categorie.

    UitgeverPodium
    Jaartal2012
    RecensentJanita Monna
    Editie2012-2