Recensies

  • Het vertrek van Maeterlinck

    Michaël VandeBril
    Het vertrek van Maeterlinck

    Poëzie als een witte hond

    Bij je debuut je gedichten maar vast in het Frans laten vertalen, dan moet je wel heel erg zelfverzekerd en francofiel zijn. En dan ook nog een titel als Het vertrek van Maeterlinck, met een verwijzing naar de nog niet helemaal vergeten maar inmiddels wel ongeveer ongelezen geraakte schrijversgod van rond de eeuwwisseling met zijn symbolistische guirlandes en vage bespiegelingen. De Vlaamse dichter Michaël Vandebril doet heel erg zijn best om niet modieus en unzeitgemäss te zijn, maar een estheet pur sang te lijken.

    In zijn eersteling staan drieëndertig gedichten, en met de Franse vertalingen van Jan Mysjkin en Pierre Gallissaires, die toch kennelijk iets moeten toevoegen, erbij zesenzestig. Geen ervan kon mij bekoren. En dat terwijl ze toch zo schoon en zoetvloeiend zijn bedoeld, met meanderende zinnen zonder interpuncties en almaar enjamberend van het ene esthetische beeld naar het volgende. Hier, een greep: ‘Er is geen weg meer terug nu je lichaam zich voor me opent zoals de zwarte aarde/ je handen bewegen als een jonge bloem mijn vorm omlijnend met zachte snelle trekken// je haar ruikt naar een doorzichtige nacht we lopen door verschillende tuinen begroeten elkaar/ met andere woorden er is geen weg meer terug neem dat van me aan je armen’ en dan gaat het nog een tijdje verder. Mijn hemel, wat een romantisch ge-orakel (dit gedicht heet dan ook ‘Orakel’) van de ‘poeta vates’ (ook zo’n titel: ‘de dichter als ziener’) Vandebril!

    Het is goed dat er dichters zijn die zich niets aantrekken van smartphones en Youtube en die breeduit met hun achterste naar de moderne tijd gaan staan, maar als dat ontaardt in loze mooipraterij met Rimbaud- en Verlaineachtige geurtjes, pas ik. Niet dat het hier alleen maar mooi is wat de klok slaat. Nee, de orakelende zienerdichter weet ook van de duistere kanten van het leven en van de lelijkheid: ‘je vuile nagels je pluizige haar ik kan ze niet langer verdragen ik trek een lange/ lijn midden in het diepe water tot hier en niet verder o god raak me niet aan/ met je vege lijf dat niet van deze wereld is’ en wederom zovoort. Je ziet het al, mooi of lelijk, aan het bonboneske taalgebruik verandert het niets.

    Zeker, je kunt dit beeldende verzen noemen, ze zijn lyrisch en dithyrambisch van tijd tot tijd, ze gaan over liefdes en verloren liefdes, er komen ontblote borsten in voor, en lichte zeden, en dageraden en gouden bladeren, soms vermoed je een fijne paringsdaad, dan weer een jammerlijke scheiding, kortom you name it, maar wat betekent het allemaal? Ik zeg het u, het betekent niets! Dat is niet erg, poëzie hoeft niets te betekenen, als het dan tenminste maar iets voorstelt. Maar dat doet het ook niet, het is aanstellerij en ik maak me sterk dat de dichter zelf dat donders goed weet. Ik hoop het althans, hij neemt ons in het ootje: even kijken of we in zijn anachronistische grap tuinen. En zo niet, dan zitten we hier met een probleem, want dan hebben we hier heel erg kitscherige poëzie die zich wel van haar kitsch-karakter bewust is maar daardoor toch nog geen leuke ‘camp’ wordt.

    Laat ik tot slot nog iets in het Frans citeren, het slot van ‘Poème pour deux voix’ oftewel Gedicht voor twee stemmen: ‘j’envoie promener/ mon poème le plus juste comme un chien blanc à la première aube venue’. Klinkt misschien nog iets mooier dan het Nederlands, maar geloof me, ook in het Frans is het zoetgevooisde lariekoek.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2012
    RecensentRob Schouten
    Editie2012-2