Recensies

  • Blinde gedichten

    Delphine Lecompte
    Blinde gedichten

    Veelgeplaagde moeder

    Delphine Lecompte is bijna niet bij te houden. Terwijl haar succesvolle debuut De dieren in mij (Buddingh’-prijs 2010 en de Prijs Letterkunde van de provincie West-Vlaanderen 2011) nog volop in de belangstelling stond, kwam haar toenmalige uitgever De Contrabas al met een opvolger, Verzonnen prooi. En nu, iets meer dan een jaar later, ligt er alweer een derde bundel, dikker dan de vorige twee bij elkaar: Blinde gedichten – ditmaal uitgegeven door de Bezige Bij. De flaptekst noemt dit haar ‘eerste ambitieuze, voldragen worp’, wat impliceert dat de prijzen met halffabricaten in de wacht zijn gesleept.

    Feitelijk verschillen de Blinde gedichten niet zoveel van de twee eerdere bundels. Het verschil zit ’m vooral in de hoeveelheid. Ook in deze nieuwe bundel beschrijft Lecompte op een nuchtere toon absurde taferelen. Het zijn verhalende regels, waar ze haar taalbeheersing en haar wendbare fantasie in demonstreert:

    Gisteren heb ik een man naast een knotwilg gespot
    Hij heeft mij niet gezien
    Hij was de sponzenverkoper
    Hij probeerde zijn neus te breken met een stemvork
    De knotwilg was ziek

    Van plaatsvervangende schaamte en
    heimwee naar Canada.

    De nonchalante verteltoon zorgt ervoor dat de absurditeit beter tot zijn recht komt. De dichteres ontmoet de meest uiteenlopende personages – een garnalenvisser, een oude kruisboogschutter, een sponzenverkoper, een Spaanse slachter – en komt in bizarre situaties terecht, waar ze dan weer een grappig commentaar op levert. Haar voorkeur voor woorden als ‘knaagdierenspeciaalzaak’, of ‘leeuwentemmerskostuum’ geeft de tragikomische gedichten een vrolijk accent.

    De gedichten zijn, als we tenminste de titel mogen geloven, ‘blind’. Dus: tastend. Maar tastend waarnaar? De gedichten vertellen verhalen die zich in de directe omgeving van de dichteres (de ikfiguur) afspeelt. Ze benadrukt dat ze een onbetrouwbare verteller is. ‘Mijn vader was een goochelaar op een cruiseschip’ meldt ze in ‘In de hoed van mijn vader beven tweelingduiven’. In het daaropvolgende gedicht (‘Niet in de hoed van mijn vader’) heet het:

    Mijn vader is een goochelaar
    Maar niet op een cruiseschip
    Gewoon in parochiezalen

    Een ander gedicht draagt de veelzeggende titel: ‘Ik broed mijn vader uit’. Verzint Lecompte een vader, zoals ze een garnalenvisser verzint, een sponzenverkoper? Hetzelfde geldt voor de moeder: de bundel is opgedragen aan ‘mijn veelgeplaagde moeder’ en in een van de gedichten wordt verhaald over ‘een moeder die op sterven ligt’, een opmerking overigens die in de daarop volgende regel weer wordt teruggenomen: ‘Maar niets is minder waar’. Elders wordt de vraag gesteld: ‘Hoe gaat het met je moeder in je gedichten?’ Het antwoord luidt: ‘Ze heeft het moeilijk’.

    De andere personages zijn slecht uit elkaar te houden. Uit de regels blijkt duidelijk dat de oude kruisboogschutter een (ex-)geliefde is, maar de bakkers, priesters, voetbaljournalisten, schilders, et cetera zijn uiteindelijk inwisselbaar. De dichteres is tussen al deze personages opvallend zichzelf. Lecompte beschrijft de ‘ik’ met haar eigen uiterlijk, ze verwijst naar zichzelf als iemand die gedichten schrijft en luistert naar de naam ‘Delphine’. Deze Delphine vindt zichzelf duidelijk niet veel soeps, evenmin als haar gedichten haar kunnen bekoren. ‘Ik ben te oud om gek te blijven,’ zegt ze bijvoorbeeld over zichzelf, en over de gedichten die ze schrijft noteert ze droogjes: ‘Het is weer niet geniaal.’ Zo biografisch gelezen is de poëzie in deze bundel een beetje wrang. De contouren van iemand met een negatief zelfbeeld doemen op, iemand die moeite heeft grip te krijgen op de werkelijkheid – en die haar beweeglijke fantasie op een enigszins behaagzieke manier inzet om er nog iets van te maken. In Blinde gedichten wordt naar liefde getast.

    Lecomptes barokke fantasie vormt zowel de kracht als de zwakte van deze bundel. De volharding waarmee Lecompte gedicht na gedicht de werkelijkheid te lijf gaat dwingt bewondering af; elk gedicht is een onderneming die tot mislukken is gedoemd, maar dat weerhoudt haar er niet van het te blijven proberen. De zwakte van de bundel is dat de ontzagwekkende hoeveelheid absurde personages, bizarre situaties, gekke gesprekken en onbetrouwbare informatie uiteindelijk begint te vervelen. De voortdurend bewust en opzichtig ingezette fantasie maakt dat veel van de beelden, beschrijvingen en situaties uiteindelijk nogal gratuit zijn. Haar methode begint soms zelfs verdacht veel op een foefje te lijken.

    Blinde gedichten is inderdaad de bundel waar Lecompte in haar twee eerdere bundels naartoe werkte, het is een toer die weinigen haar na zullen doen. Maar ik ben na het lezen van deze bundel vooral benieuwd naar wat er kan gebeuren als Lecompte haar fantasie wat meer gericht inzet.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2012
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2012-2