Recensies

  • Snijderseiland

    Juliën Holtrigter
    Snijderseiland

    Het grote hurkt in het kleine

    In Snijderseiland toont Holtrigter zich een dichter van het relativerende perspectief. Veel gaat over kijken en over het vermogen jezelf te bezien in het licht der eeuwigheid. De mens moet kennelijk andermaal in al z’n nietige lulligheid getoond, maar Holtrigter overtuigt daarmee niet altijd.

    Op de omslag van de bundel prijkt een van de schilderijen uit de bekende serie werken van de Joods-Franse schilder Chaïm Soutine: Le boeuf écorché. Die serie bestaat uit afbeeldingen van het karkas van een os dat aan de poten is opgehangen. Het is een krachtig beeld, waarin het donkere rood van de os warm schitterend afsteekt tegen de donkerblauwe achtergrond. Ik heb wel eens gelezen dat de schilder in zijn atelier waar het karkas was opgehangen altijd een emmer bloed had staan om de os zo nu en dan met een goede plens kunstmatig bij te kunnen kleuren. Het is de dagelijkse praktijk van het offeren (slachten), teruggebracht tot de overdreven aardse kern, die niettemin -of juist daaromeen magisch beeld oplevert.

    Holtrigter wil, zoals zo velen, het grote in het kleine tonen en het aardse tijdelijke naast het al dan niet hemelse eeuwige plaatsen. In Snijderseiland doet hij dat bijvoorbeeld aan de hand van een terugkerende figuur genaamd ‘Chaim’. Zo ook in het gedicht ‘Bebloede voorschoot’:

    Bebloede voorschoot de zon.
    Verbeelding ten overstaan van de feiten.

    Het grote hurkt in het kleine.
    De scalpel beweegt zich gezwind door het vlees.

    De lijnen zakken zo zeer in de grafieken.
    Met statistiek is al wat je wilt te bewijzen.

    Het heelal is een bloem die zich langzaam
    ontvouwt en zich dan toch weer bedenkt.

    Chaim, de degenslikker verscheen
    en verdween.

    Ik heb hem getekend en opgeprikt aan de wand.

    Volg het verhaal. Zolang het kantelt en kraait
    is er leven.

    Ga mee de stad in. De operette voltrekt zich
    op klaarlichte dag en ja, midden op straat.

    Het gedicht bevat veel van wat de gedichten in Snijderseiland te bieden hebben: de tegenstelling tussen het wetenschappelijke en het ‘poëtische’ beeldende, het romantische geloof in de waarde van dat laatste, de ambigue verhouding van het leven tot de dood (‘Zolang het kantelt en kraait/ is er leven’) en de ontnuchtering van het alledaagse. Die elementen komen steeds terug, met wisselend succes. In bovenstaand gedicht wordt het sterke, abstracte beeld ‘Het grote hurkt in het kleine’ bijvoorbeeld opgevolgd door de vergelijking ‘Het heelal is een bloem die zich langzaam/ ontvouwt en zich dan toch weer bedenkt”, dat op mij nogal gezocht en grotesk, om niet te zeggen kitscherig, overkomt. Het is bovendien de vraag wat die strofe aan het geheel toevoegt.

    Intrigerend is dan weer de opening van het gedicht: ‘Bebloede voorschoot de zon’. Daarin suggereert het woord ‘voorschoot’ grammaticaal een werkwoord te zijn (een verbastering van ‘voorschieten’) en zo ‘Bebloede’ tot onderwerp te promoveren, terwijl het tegelijkertijd bijvoeglijk gebruikt wordt om een schort met bloedspatten aan te duiden. Wellicht wordt de lezer geacht het werkwoord ‘is’ tussen voorschoot en ‘de zon’ te plaatsen. Maar hoe de vergelijking dan functioneert blijft duister. Gaat het om het glimmen van het ossenkarkas van Soutine? En, zo ja, is dan het bebloede schort de lichtbron? Of moeten we ons een komma indenken en hebben we hier met een contextualiserende opsomming ter introductie te maken? Dergelijke constructies kom je in de bundel regelmatig tegen. Veel is raadselachtig, lang niet altijd is het de moeite van het ontraadselen waard.

    Holtrigter toont zich in deze bundel een vertwijfelde religieuze en een cynische romanticus, maar mij overtuigt het niet allemaal. Snijderseiland is een onevenwichtige bundel die het moet hebben van een knap neergezet beeld hier en daar, dat te zelden tot een sterke compositie is uitgewerkt.

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2012
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2012-2