Recensies

  • Mijn naam is legioen

    Menno Wigman
    Mijn naam is legioen

    This Is Hardcore

    Het zou een mooie tekening van Peter Pontiac zijn, zoals hij ze voor het boek De luchtgitaar van Roel Bentz van den Berg maakte van bezeten zangers als Sam Cooke en David Eugene Edwards. De dichter in een volkse straat van een 21e eeuwse stad zou zich moeiteloos in hun midden kunnen voegen:

    We leven hier met Turken, Marokkanen,
    Afghanen, Koerden, sikhs en Pakistanen
    En we zijn bang. En ik, een blanke man

    ni Dieu, ni maître, taai en zonder hoop
    op tuintjes na de dood, ik peil mijn straat
    vanaf drie hoog en zie hoe men verhit

    de klok rond bidt, op vale vloeren ligt
    en naar een godshuis draaft waar men vereert
    en eeuwig collecteert.

    ‘Oud-West’; zie hem daar staan, de licht zwetende dichter, met waakzame ogen vanwege de angst voor wat zich buiten zijn kamer afspeelt. Daar lijken de mensen te leven in de één of andere zekerheid: die van een tuintje na de dood, of anders die van het minder metafysische broertje, ‘Tuincentrum Osdorp’. ‘Ik weet het: iedereen zijn eigen hel,’ dicht Wigman in het gelijknamige gedicht. Hij koekeloert vanachter de vitrages naar het ‘volk van stugge gutturalen’ dat zich door de straten godverdomt, op jacht naar koopjes en de instant bevrediging van ijdelheid: ‘Te koop. Te koop. De winkelstraat vergaat/ van jeugd en hoop op een gelikter hoofd,/ geliefden lopen glashard door je heen.’

    En hij dan, de dichter? Wat doet hij? Als hij zijn rug naar het raam keert, is er niet veel: een tafel, een stoel, wat schrijfgerei. Steeds vaker denkt hij dat hij zijn leven aan de literatuur heeft vergooid, lezend, maar ook schrijvend. Moedeloos wordt hij van die letters waarvoor hij zoveel laten moet, dus waarom ze niet de deur gewezen: ‘Rot op, riep ik, rot op,/ je hebt je kans gehad.’ Ga maar naar de ‘aanstormende talenten’, van wie er elk jaar weer een blik wordt opengetrokken door de uitgevers, in de hoop dat er eentje wortel schiet. Wigman heeft in interviews vaak genoeg zijn twijfels over die hordes nieuwe dichters uitgesproken. Dat is niet koket of hooghartig bedoeld, het is de zorg van iemand die zijn vak, zijn roeping als u wilt, uiterst serieus neemt; eronder lijdt. Want waar de hordes bijna achteloos het dagelijks leven het hoofd bieden, gaat de dichter gebukt onder een niet aflatende twijfel: waarom doe ik dit? Wat heeft dit voor zin? Hij weet ook wel dat hij even lelijk is als de mensen op straat, dat zijn dromen niet beter zijn dan van een kleine, dikke man ‘met een onbemand gezicht’ in de supermarkt. Het enige wat hem van die man onderscheidt, is het talent zoiets te zien en op te schrijven: ‘heel zijn mond/ een dunne brief vol blanco levensdrift.’

    Die twijfel is de motor in Mijn naam is legioen. De gedichten zijn het verslag van een zoektocht naar rechtvaardiging voor Wigmans dichterschap, voor de poëzie in het algemeen. Wigman weet heel goed dat de poëzie in Nederland weinig vermag, geen enkel maatschappelijk effect sorteert. En toch moet het, omdat je toch iets tegen die schreeuwende leegte aan moet zetten. Het is geen koketterie, geen spelletje: bij Wigman zijn vorm en vent samengevallen. This Is Hardcore, om met Pulp te spreken.

    Ondanks de eeuwige twijfel heerst er een sfeer van strijdvaardigheid in de bundel. De dichter is dan wel telkens ‘zwanger van een scheef gedicht’, toch weet hij altijd weer een puntgaaf exemplaar te voltooien en er is genoeg ruimte voor momenten van schoonheid en ontroering. Zoals in het prachtige ‘Zwembad Den Dolder’, waarin Vasalis’ regels ‘Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren/ en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen’ klinken:

    De mooiste idioot die ik ooit zag
    Lag op zijn rug een heel heelal te zijn.
    Geen vader kreeg ooit greep op deze pees

    die als een kosmonaut het bad door dreef,
    geen moeder stookte in zijn vissenkom.
    en wit en scheef en wijs zwom hij. Hij zwom.

    Toch die literatuur weer die redding biedt, en troost. Ook twee andere uitschieters, ‘Brief aan een luie vriend’ en ‘M’, laten zien dat je weliswaar soms moet kotsen van al die letters, maar dat het een goed alternatief kan bieden voor alles wat er buiten je raam gebeurt. Een tweede ontsnapping biedt uiteraard de liefde. Hoewel Wigman in het openingsgedicht van de bundel nog hoofdschuddend zijn werkloze geslacht toespreekt, lijkt dat euvel aan het einde verholpen als hij welhaast jubelend dicht:

    Ik lag in haar bed en zij die net de douche uit stapt.
    Zoals zij loopt, zoals zij naakt het huis door loopt,
    zo zullen vanaf nu de dagen lopen.

    Ook dit beeld zou een mooie Pontiac-tekening opleveren, om zo met ‘Oud-West’ een tweeluik te vormen over ‘het dichterschap’. Een dichterschap dat in dit geval tot grote hoogtes reikt.

    UitgeverPrometheus
    Jaartal2012
    RecensentJasper Henderson
    Editie2012-2