Recensies

  • Overkomst dringend gewenst

    Jan Emmens
    Overkomst dringend gewenst

    Jan Emmens’ Gedichten en aforismen hebben er, aldus zijn uitgever Van Oorschot, meer dan dertig jaar over gedaan om bijna, niet eens helemaal, uitverkocht te raken. Treffender bewijs dat kwaliteit lang niet altijd herkend wordt, is moeilijk te vinden. Snel naar Selexyz dus voor een van de laatste exemplaren, want dan heb je alles van een van onze indringendste, ongemakkelijkste, urgentste dichters bij elkaar. Of als je te laat bent de bloemlezing van Wim Brands, bewonderaar van jongs af aan. Had hij Overkomst dringend gewenst niet samengesteld, dan had ik Emmens’ uitgever net zo lang aan de kop gezeurd tot ik, fan van een wat later uur, het had mogen doen. Best mogelijk dat ik dezelfde titel gekozen had, want daarmee is de poëzie van Emmens heel goed gekarakteriseerd. Geboren zijn is voor hem heel wat erger dan ongemak. Het is een weerzinwekkende aangelegenheid die ook nog eens beangstigt. Veel van zijn gedichten laten zich lezen als noodsignalen van een beklemde man die niet in staat is het leven, en

    Wat nu de Saul van Rembrandt betreft,
    mij ontbreekt het wel eens aan een tulband en iemand
    die harp of harpsichord voor mij speelt,
    aan een scepter en een bescheiden gordijn
    waarmee ik tranen kan drogen.

    zichzelf, te aanvaarden:

    Ik voel mij vandaag wat eens volgens Odo,
    een abt (tiende eeuw), de kruipende dieren
    geweest moeten zijn: uit modder geboren.
    Een trage tor, alleen op de wereld
    en nimmer beschreven, zelfs niet door een abt.

    (‘Volgens Odo’)

    In Autobiografisch woordenboek, waarover later, citeert hij met instemming een uitspraak van Nietzsche die erop neerkomt dat de onbegrijpelijkste prestatie van de mens de kunst is om het met zichzelf uit te houden. Jan Emmens was daar helemaal niet goed in en zijn poëzie legt daar, een enkele keer naar mijn smaak een beetje al te schril of te redenerend, getuigenis van af. Maar als hij zijn weerzin weet te stileren, levert dat briljant en onvergetelijk werk op. Wie een gedicht kan schrijven als ‘Meesterwerk’, geïnspireerd door Rembrandts schilderij Saul en David in het Mauritshuis – Emmens was een groot kenner van Rembrandt en op hem gepromoveerd − is een belangrijk dichter:

    Emmens zal zich in de getourmenteerde oudtestamentische koning herkend hebben. De bouwstenen van het schilderij heeft hij gebruikt om aan te geven dat zijn eigen smart, anders dan die van Saul, niet te lenigen is. Hij doet dat in de hem vaak kenmerkende ambtelijke bewoordingen, zonder gebruik te maken van rijm en ritme. Als je er dan toch in slaagt een niet te stelpen verdriet geloofwaardig op te roepen, dan heb je als dichter heel wat in je mars. En als je als bloemlezer een prachtige anthologie kan samenstellen zonder dat je gebruik hoeft te maken van twee classics als ‘Chinese wijsheid’ en ‘Hard facts’, heb je misschien niet direct een groot dichter te pakken, maar wel eentje om te blijven koesteren. Dat laatste gedicht is een briljante formulering van een wereld die door een eenzame man als hartverscheurend vervreemdend wordt ervaren:

    ’t Gras is gemaaid, de bloemen staan op stelen,
    de blaren hangen keurig aan de boom.
    De een heeft een huisdier wat te bevelen,
    iemand te strelen, iemand te slaan,
    de ander zichzelf om te om te gaan.

    Emmens is een dichter die je blijft citeren. Niet eens zozeer omdat hij zoveel volmaakte, in zijn geheel memorabele gedichten geschreven heeft, maar zoveel onvergetelijke zinnen. En dat zijn goddank geen tegeltjeswijsheden maar ongemakkelijke waarheden, zoals ‘zijn tijd aan denken of aan doen vergooien/ verschilt niet veel, ’t is stenen toch voor brood’, ‘Wie slaapt vergeet zichzelf niet maar een ander/ die hij ontwakend opneemt als een last’ of ‘sta ik toevallig stil, dan heet dat het standpunt dat ik inneem’. Brands heeft lang niet alle gedichten met dit soort lichtelijk cynische wijsheden opgenomen – hij had aan de gang kunnen blijven. Hij ruimt daarentegen relatief veel plaats in voor de wat langere, geheimzinnige, raadselachtige gedichten die ik doorgaans minder sterk, want te verhalerig, vind, al komen er meestal wel een paar prachtige regels in voor die veel goedmaken. Maar inderdaad, ook dat is Emmens, evenals de gedichten over de zee en kinderen, die voor hem de positieve kanten van het beklemde leven vertegenwoordigen, omdat ze zich allebei niet van zichzelf bewust zijn. Dat zou hij ook wel willen zijn.

    Het is wel jammer dat een verantwoording ontbreekt. Ik had graag geweten waarom er niets in de bloemlezing terechtgekomen is uit de afdeling ‘Alphabetisch’ uit het al even genoemde Autobiografisch woordenboek, die uit alfabetisch gerangschikte woordomschrijvingen bestaat. Je kunt tegenwerpen dat dat geen gedichten zijn, maar Emmens zelf heeft er wel een halve dichtbundel mee gevuld. En er staan formuleringen in die in zijn gedichten bepaald niet zouden hebben misstaan en die waarschijnlijk als bouwsteentjes daarvoor bestemd waren, zoals ‘Gedachte bij het ontwaken: hier ben ik nu, met mijn buik voor, mijn borst aan en mijn hoofd op’. Dat lijkt op die aangehaalde kafkaëske tor van abt Odo. Brands had van mij ook mogen uitleggen waarom hij uit de drie tijdens Emmens’ vrij korte leven − van 1924 tot 1971 − verschenen bundels en uit de ene na zijn dood samengestelde bundel, typerend De onvrede van Utrecht getiteld, in sterk afnemende mate gedichten selecteert. Heeft dat met de afnemende kwaliteit ervan te maken? Want, eerlijk is eerlijk, Emmens schrok niet terug voor Boutensachtige formuleringen als dromen die spoelen ‘nalatig langs der dagen kant’ en zijn beeldspraak is soms vergezocht, zoals in het slotgedicht uit de bloemlezing. Of heeft Brands een voorkeur voor de vroege Emmens? Zo ja, waarom dan?

    In zijn inleiding haalt de bloemlezer onder anderen Elly de Waard en Renate Rubinstein aan, die met de dichter bevriend waren. Hoewel met name De Waard behartenswaardige dingen zegt, bijvoorbeeld dat die raadselachtige man, Emmens dus, ‘als een slagschaduw over zichzelf heen hing’ en dat je als je hem leest het hoort knarsen, had ik in zijn inleiding ook graag gelezen wat collega-dichter Brands er nu werkelijk toe gebracht heeft om juist Jan Emmens te bloemlezen. Wat heeft hij met hem? Er moet toch wel een sterkere drijfveer geweest zijn dan de confrontatie in zijn middelbare schooltijd met de ‘ongenaakbare helderheid’ van het gedicht ‘Repeterende breuk’. Aan de slotregel daarvan, ‘Overkomst dringend gewenst’ dankt de bloemlezing zijn titel:

    Waar ik ook ben, soms ben ik ineens weer
    bij de Belgische grens, aan het liften naar Frankrijk.
    De weg is de hoofdweg, maar lijkt op een zijweg,
    één, twee, drie huizen staan braaf in hun tuinen.
    In de bocht wuift een boomgroep. Het is doodstil.
    Ik wacht op haar. Drie vogels landen.
    In de heggen beweegt zich een ruisende wind.
    Overkomst dringend gewenst.

    Prachtig panisch, urgent gedicht. ‘Hard facts’ light.

    Het gedicht maakte zo’n indruk op de knaap Brands omdat hij toen hij het voor het eerst las vaak liftte, niet werd meegenomen en zich dan afvroeg of hij ooit nog thuis zou komen. ‘Overkomst dringend gewenst’ dus, net als in het gedicht. Zoiets helpt natuurlijk. Maar ik denk dat het toch vooral Jan Emmens’ levenslange gevecht met zijn vader en in het verlengde daarvan met de autoriteit in het algemeen is geweest die Brands tot zijn liefde voor Emmens gebracht heeft. Lees er de bloemlezing
    De vijftig beste gedichten van Wim Brands maar op na.

    Emmens bleef zijn leven lang ‘Aeneas met zijn vader op 
    de schouders,/ een jongen die naar school gaat met zijn tas.’ Van dat gezag maakte hijzelf overigens, of hij wilde of niet, als hoogleraar kunstgeschiedenis natuurlijk ook deel uit. Dat maakt het gevecht des te pijnlijker en boeiender.

    UitgeverVan Oorschot
    Jaartal2012
    RecensentAnton Korteweg
    Editie2012-2