Recensies

  • In het westen (de laatste trans)

    Robert Anker
    In het westen (de laatste trans)

    Het hedendaagse westen indrukwekkend uitgedrukt

    Poëzie is het uitdrukken van indrukken, in taal, dacht ik eens. Dit adagium is ook in het vroege dichtwerk van Robert Anker terug te vinden. De bundels Waar ik nog ben, uit 1979, en Van het balkon, uit mijn geboortejaar 1983, bevatten verschillende omgevingselementen die de dichter in het oog sprongen: vogels, bomen, rivieren en de schepen die de rivieren bevaren. In de beweging van buitenwereld naar papier fungeert de dichter als een lens, een transparant medium. Er is sprake van een waarnemingstaal. Met bundels als De broekbewapperde mens (2002) en Gemraad Slasser d.d.t.(2009) neemt het aantal woorden dat niet direct uit de waarneming is af te leiden toe. Opmerkelijk aan een bijvoeglijk naamwoord als ‘broekbewapperde’ is dat je er heel goed iets bij voor kan stellen; tegelijkertijd had je voor het lezen van dat woord nog nooit zoiets gezien. Voor Robert Anker had niemand het zelfs kunnen denken. Het schrijven van dergelijke neologisme brengt poëzie terug tot zijn oud-Griekse wortel, ποιέω: poëzie wordt iets dat in de dichter zelf ontstaat, een scheppingsdaad, een beweging van de dichter via het papier naar de buitenwereld. Poëzie is het op indrukwekkende wijze uitdrukken van indrukken, dacht ik later.

    In het westen (de laatste trans) laat zich lezen als een rijk, Shakespeariaans toneelstuk over authenticiteit en de staat van onze Westerse samenleving. In een serie zeer afwisselende gedichten (wat betreft vorm, stijl en inhoud) passeert een select  gezelschap van karakters de revue: een hopman, nog een hopman, de Poolse dichter Tadeusz Różewicz en een lijpe gek die uit de reality show Oh Oh Cherso afkomstig zou kunnen zijn. De hoofdrollen worden gespeeld door Jarvai en Mensoorah. Evenals bij het woord ‘trans’ weet je als lezer niet direct om wie of wat het gaat. In het geval van de namen van de hoofdrolspelers biedt zelfs Google geen uitkomst – de lezer wordt teruggeworpen op wat er in de bundel staat en zijn verbeelding. De namen doen mythisch aan, oudtestamentisch zelfs. Ik dacht aan oude Joodse schriftgeleerden die een Golem oproepen. Mogelijk is Mensoorah een mens en is Jarvai, als verbastering van Jahweh, een oude berggod. Ergens valt te lezen dat Menshoorah in ieder geval geen engel is. Maar, zo zegt Różewicz, die in een dialoog wordt aangehaald, ‘de Goden hebben de wereld verlaten / ze lieten er de dichters achter’. Ook de Haagse Harrie, die als nar in een gedicht het toneel betreedt, lijkt over Mensoorah en Jarvai te spreken als dichters: lijpe gekken zijn het volgens hem. Het gedicht is als enige gedicht in de bundel fonetisch in dialect opgeschreven – typerend voor Ankers talige veelzijdigheid. Dichters dus, geen goden, hoewel ze al sprekende in hun opgetekende dialoog de wereld van In het westen (de laatste trans) scheppen.

    In het eerste gedicht ‘Het verwilderde westen’ openen de dichters Jarvai en Mensoorah hun dialoog met vragen als hoe het volk zich tegen zichzelf kan keren en hoe het ‘zijn wezen’ kan laten onteigenen door ‘valse professionals die het op de markt brengen’. Het westen is ‘verwilderd’, stelt Jarvai. En in deze verwilderde wereld, die geregeerd lijkt te worden door de ‘kortgerokte sloerie der begeerte’, is authenticiteit ver te zoeken – het wordt als alles in die wereld vermarkt. De bundel is zo doorspekt van dit thema dat Anker er zelfs in de verantwoording op wijst: de bundel bevat een veelheid aan citaten en verwijzingen, authenticiteit en originaliteit bestaan niet meer.

    Toch spreekt er uit de bundel wel een verlangen naar die authenticiteit. Zo roept Mensoorah Jarvaï in het gedicht ‘Over de grens’ op zijn ‘eigenste verhaal’ te vertellen. Zonder eigenste verhaal is er geen schuldvraag mogelijk.

     

                                                                                                              ... schuld?
                      Wij worden wel gedaan maar wij doen het zelf, schuld
                      Is nergens te verhalen dan bij ons eigenste verhaal
                      Vertel het jouwe Jarvaï

     

    In een samenleving zonder eigen verhalen is er geen schuld, geen verantwoordelijkheid en valt alles ten prooi aan de muitend meute, suggereert Jarvaï vervolgens in een lange monoloog, die eindigt met de oproep de muiters ‘in het maaiveld tot staan’ te brengen. Het begrip ‘elite’moet in die strijd weer een geuzennaam worden.

    De mogelijkheid van een eigenste verhaal; het klinkt enerzijds positief, als iets dat het autenthieke zo dicht mogelijk benaderd, maar er dringt anderzijds het tragische besef in door dat het eigene zelf in een verhaal nooit bereikt zal worden. Archaïsch van opzet, met verwijzingen naar de culturele hoogtepunten uit onze beschaving, alsmede naar de hedendaagse politieke instabiliteit, werkte Anker zijn (hoogsteigenste?) verhaal om tot een indrukwekkend, authentiek aandoend dichtwerk.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2011
    RecensentPim te Bokkel
    Editie2012-1