Recensies

  • Verborgen tuinen

    Anneke Brassinga
    Verborgen tuinen

    Prachtige vijand

    [...] alleen gedichten, kortom, die me boven de pet gingen en nog steeds gaan, behielden een poreuze, ademende ruimtelijkheid, zodat mijn lectuur niet afketste maar integendeel bleef terugkeren als naar een intrigerend landschap om er te dwalen, om in den vreemde te zijn.


    Wat Anneke Brassinga volgens haar bijdrage aan de 165ste jaargang van De Gids, aantrekt in poëzie is een combinatie van uitnodiging en vervreemding. Precies die combinatie is kenmerkend voor haar nieuwste dichtbundel. Verborgen tuinen wordt ingeleid met een afbeelding en met een gebod: ‘lees’. Slechts een enkele keer richt Brassinga zich direct tot de lezer, daarna volgen pagina’s als deuren die een uitnodiging bieden tot een universum van foto’s, dialogen, verwijzingen en vertalingen.

    De foto’s die het eerste deel van Verborgen tuinen vullen, begeleiden gedichten van telkens drie regels. In een zo’n drietal ‘De geschiedenis –/ slang die koudbloedig starend/ zelf kronkelt en kermt.’ doemt het thema van de tijd op. De begeleidende foto is van een knoest in een boomstam. Gedicht en foto suggereren dat we het verstrijken van tijd niet moeten zien als lineair proces maar als cyclisch, kringelend als een slang of als de ringen in een boom die zich vermenigvuldigen naarmate hij ouder wordt.


    ‘Als ’t gedicht houtsnijdt/ staat de afgehakte boom/ er in op en bloeit.’ Enkele pagina’s later positioneert Brassinga, overigens door middel van een ietwat flauwe woordgrap, de dichtkunst als spil tussen het eenmalige en het eeuwige. Het houtsnijdend gedicht vormt het startschot voor een zoektocht naar een overkoepelend bewustzijn die doorheen de bundel zal worden uitgewerkt aan de hand van tijd, natuurelementen, filosofie, mystiek, kunst en religie.

    Dit levert poëzie op die bol staat van taalvondsten, associaties en verwijzingen. Brassinga lijkt daarmee een nieuwe vorm van waarneming te willen genereren die de menselijke systemen en onze neiging tot duiding overstijgt. Het tweede deel van de bundel begint met ‘De geheime tuin’, waarin bomen in gesprek gaan, de elementen eigenschappen worden toegedicht en waarin de een-na-laatste strofe vraagt:

    Als iets geboren is, geleefd heeft, hoe kan het dan
    ooit nog ontsnappen aan de wereld
    
en de wereld eromheen, om zich achter te laten
    tot in de eeuwigheid van eeuwen, amen?

     
    Een terechte vraag, want wanneer we tijd als cyclisch beschouwen, wat is dan eindigheid? Bovenstaand gedicht tilt deze vraag naar een metafysisch niveau: kunnen de dingen die ooit geweest zijn, gezien zijn en gekend, nog ontkend worden?

    Passend is de vertaling van Walt Whitmans ‘Song of Myself’ in het derde deel van Verborgen tuinen. ‘Zang van mijzelf’ beschrijft hoe ‘het ongeziene wordt bewezen door het geziene/ totdat het geziene het ongeziene wordt en op zijn beurt bewezen wordt.’ De verteller in dit gedicht beschrijft het uiteindelijk bereiken van een ‘vrede en vreugde en/ kennis die al de/ kunstigheid en redeneerkracht van het aardse te boven gaat;’ en het is juist deze staat van zijn waarnaar Brassinga lijkt te zoeken.

    Anders dan Whitman, die in dit gedicht lichamelijkheid en de stem van de verteller een belangrijke rol liet spelen, wordt Brassinga echter zelden tastbaar of persoonlijk. Sterker nog, het is alsof alle menselijke referentiekaders afgelegd moeten worden, alsof de waarnemer volledig wil samenvallen met een universum dat zich grotendeels aan ons bevattingsvermogen onttrekt.

    Verborgen tuinen werkt toe naar een besef dat zowel overstijgend als relativerend is, en trekt daartoe alle registers open: van taal die in onbruik is geraakt zoals ‘ende heurlieden’ of neologismen zoals ‘vrijgezellinenmelk’ en ‘geskafanderd’ tot afbrekingen, zijsporen en verwijzingen die het nodige doorzettingsvermogen van de lezer vragen. Brassinga schrijft poëzie die speelt met je behoefte om de gedichten te ontcijferen. Het is lastig een klare lijn te ontdekken in alle gedachtestromen, of een eenduidige noodzaak aan te wijzen. Maar ondanks de veelheid in associaties en stijl is er geen sprake van overdaad, en voelt het niet alsof de poëzie uit de hand loopt.

    Bovendien wordt volharding beloond: sommige gedichten bieden rustpunten, herkenning en humor, en heldere inzichten. Bijvoorbeeld in het verrassend makkelijk te volgen ‘Een nieuwe schepping’, dat met de notie van de mens als middelpunt van het bestaan aan de haal gaat. Want wat als de mens de kunst, en dus ook poëzie, niet heeft uitgevonden, maar als ‘eenmalige’ slechts geschapen is als instrument voor de eeuwige kunst?

    Mens alleen zou, helaas ongeweten, de op goddelijk initiatief

    gefabriekte melodieuze machine kunnen zijn,

    perpetuum mobile, klank na klank in eeuwigheid verzinnend [...]


    Het zou een flard van een poëtica kunnen zijn, maar dat lijkt niet het uitgangspunt van Verborgen tuinen te zijn. Eigenlijk is de bundel nog het meest te typeren als de verkenning van een intrigerend landschap, waarin je als lezer over het algemeen in den vreemde blijft.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2019
    RecensentElske Jacobs
    Editie2019-1