Recensies

  • De willekeur

    Jan Lauwereyns
    De willekeur

    De ‘ik’ van Lauwereyns is terug

    In januari won Jan Lauwereyns de VSB Poëzieprijs voor zijn bundel Hemelsblauw. Die bundel leek de uitwerking te zijn van een poëtica die Lauwereyns uiteenzette in zijn Gedichtendagessay De smaak van het geluid van het hart. Daarin schreef hij te streven naar ‘hart-loze’, of ‘ik-loze’, poëzie. En dat lukte, want een dichter met de taalbeheersing van Lauwereyns bereikt in de regel wat hij wil bereiken. Voor De willekeur heeft Lauwereyns deze poëtica radicaal verlaten. Terecht. Want hoe interessant het als experiment ook was, zo’n ik-loze bundel, het ‘ik’ van de dichter is toch zo’n beetje de kern van de poëzie. Het maakte van Hemelsblauw een technisch knappe bundel waarmee het echter op persoonlijk, emotioneel niveau maar moeilijk communiceren was.

    De aanleiding voor deze ommezwaai wordt al duidelijk door de cover van de bundel: die is zwart met een rode seismograafgrafiek. Het is een weerslag van de verwoestende aardbeving die Japan, het land waar Lauwereyns woont, trof op 11 maart 2011. De tsunami die op de beving volgde was onder meer verantwoordelijk voor de vernietiging van de kerncentrales bij Fukushima. 9.0 op de schaal van Richter, stralingsdreiging: dat heeft een diepgaande invloed op alle aspecten van het leven, dus ook de poëzie. In de bundel speelt de tsunami op verschillende manieren een rol.

    De willekeur is een dikke bundel met veel soorten gedichten. De bundel kent dertien korte afdelingen, sommige van maar één gedicht, die thematisch en qua vorm een hechte eenheid vormen. ‘Tegen het vrezen’, bijvoorbeeld, is een reeks van zeven prozagedichten over ‘A Satyr Against Mankind’, een lang gedicht van John Wilmot uit de zeventiende eeuw. Het is knap hoe Lauwereyns het gedicht, dat de ratio bespot en de mens tracht te ontmaskeren als een wezen dat zich slechts door arrogantie van de andere dieren onderscheidt, doordenkt in het licht van de geschiedenis terwijl hij goedlopende verzen schrijft. Het levert een geslaagde tussenvorm op tussen essay en poëzie die we niet zo vaak zien.

    Angst was het ultieme kwaad, zoals niet de dood de
    vijand van het leven was, maar de angst voor de dood; de
    nobele ruiter reed, de woorden galoppeerden, hun neerslag
    galmde, ergens had John Wilmot het sublieme nodig
    de verbeelding, die had hij verkeerd ingeschat, de speculatieve
    verbeelding, die was link en lastig, maar niet
    noodzakelijk vals;

    Voor andere reeksen kiest Lauwereyns een meer conventionele vorm, soms met een vaste opbouw, maar meestal in vrije opeenvolging van strofen van één, twee, drie en soms vier regels. ‘Een menselijk oor’, de slotafdeling, is dan weer één lang gedicht van acht pagina’s. Die afwisseling maakt dat je deze 112 pagina’s poëzie van kaft tot kaft kan lezen zonder dat het vermoeiend wordt, zoals dat bij dichters als bijvoorbeeld Armando of Wijnberg wél gebeurt, dichters die weliswaar puntgave gedichten afleveren, maar minder in reeksen en structuren werken en daardoor uiteindelijk monolithischer bundels maken.

    De Lauwereyns van De willekeur is intenser en veel dichterbij dan die van Hemelsblauw. In deze nieuwe bundel is de dichter geëngageerd, verontwaardigd, boos zelfs. In ‘In het veld’, een reeks inktzwarte prozagedichten, maakt hij zich boos over het straffeloos blijven van (oorlogs)misdadigers en leeft hij mee met onterecht veroordeelden, uitgestotenen, psychiatrisch patiënten en zelfmoordenaars.

    Maar Lauwereyns laat zich ook zien in zijn humor en zelfspot, zoals in ‘Inzet: zin’, waarin hij taalspelletjes speelt waar een mindere dichter niet mee weg zou komen zonder melig te worden: ‘niet om aan te zien/ en wel afzichtelijk// afhankelijk van optiek/ en zielig qua bezinning.’

    De mens Lauwereyns, de ‘ik’ van de dichter, is terug in zijn poëzie, en zo wordt die VSB-prijs met terugwerkende kracht toch nog volkomen terecht.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2012
    RecensentBoeken Vlierhuis
    Editie2012-3