Recensies

  • Het wilde kind

    René Puthaar
    Het wilde kind

    Niks in woorden gehakt

    René Puthaar debuteerde 12 jaar geleden met de enthousiast ontvangen bundel Dansmuziek. Drie jaar later verscheen Hier en daar. Daarna verhuisde de dichter naar Zuid-Frankrijk en liet hij nauwelijks nog van zich horen. Dansmuziek was overrompelend in zijn trefzekerheid, door de vanzelfsprekendheid waarmee Puthaar de poëzie binnenkwam. Hij deed dat in vaak lange, meeslepende gedichten die stonden als een huis, extra gestut door metrum en rijm.

    Het wilde kind is een natuurlijk vervolg op het eerdere werk, hoewel metrum en rijm stilaan zijn verdwenen. Gevolg is ook dat Het wilde kind de lezer minder houvast biedt, de gedichten geven zich minder gauw bloot. Want de uitspraak die W.H. Auden ooit deed over de vrije versvorm geldt niet alleen voor de dichter, maar ook voor de lezer: ‘The poet who writes “free verse” is like Robinson Crusoe on his island: he must do all his cooking, laundry, darning, etc.’ De lezer moet meer zelf zijn ‘boeltje’ bij elkaar zoeken, de gedichten laten meer te raden over en kunnen dus steeds opnieuw en steeds anders gelezen worden.

    Op het Crusoë-eiland van René Puthaar is veel te beleven – of eerder de eilanden, want het is een rijk en gevarieerd universum. Dat geldt ook voor de toon: die is nu eens fijnzinnig of lyrisch (‘dat allerzachtste blauw van pasgeborenen’ of ‘stiller dan waanzin gaan de luiken open’), soms fel of brutaal (‘de tieten grijs van gif’), dan weer speels, zoals in de meer objet trouvé-achtige teksten, die overigens niet allemaal even overtuigend zijn. De titel van de bundel lijkt die dubbelheid ook in zich te dragen: het wilde kind staat enerzijds voor het verlangen naar ongereptheid, puurheid, maar verwijst ook naar rauwheid en heftigheid (al was het maar vanwege de echo van Iggy Pops ‘Real wild child’).

    Een terugkerend thema in Het wilde kind is de samenhang tussen taal en wereld. De bundel opent met een poëticaal gedicht dat balanceert tussen woorden en werkelijkheid. De beginzin ‘Staat dit er nog?’ verwijst zowel naar een bouwsel, een huis (dat geen huis is) als naar het gedicht zelf, naar woorden die naar iets verwijzen. Als lezer weet je dan óók niet meer waar je in staat: in huis of gedicht, taal of wereld. Het gedicht vervolgt met een ‘misleidend’ enjambement (dat vagelijk aan Hans Faverey doet denken), dat opnieuw met één been in de taal, en met het andere in de wereld staat:

    [...] Alles was toch af-
    gebroken? [...]

    Uit een aantal gedichten spreekt een verlangen naar samenvallen van taal en wereld. Zo is er een reeks naar aanleiding van een lap met de woorden ‘aap’ ‘lam’ en ‘wim’ – een aap noot mies-achtige lap voor kinderen die net leren lezen, wat immers niets anders is dan een verbinding maken tussen taal en wereld:

            Het stelt niets voor en het is wit. Een lam. Althans, drie letters: lam.

    In het envoi daarop concludeert Puthaar treffend:

    In een grauwe sluier van de hersenen
    overlappen ze elkaar, taal en wereld;
    daar buiten is het feest in volle gang.

    Iedere dichter is zich bewust van de scheiding van taal en wereld en iedere dichter probeert, al dan niet bewust, een dergelijke overlapping te bewerkstelligen, de taal te laden met zoveel mogelijk werkelijkheid. Puthaar doet dat bijvoorbeeld zo:

    Hoor je? Dat is wat het donker vraagt.
    Een ongeboren merel luistert. In de ceder
    huivert kou. Dat is wat het donker ons vertelt.

    Dat is het soort zinnen waarom we Puthaar
    moeten koesteren in de Nederlandse poëzie.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2012
    RecensentKiki Coumans
    Editie2012-3