Recensies

  • Hoe H.H. de wereld redde

    Wouter Godijn
    Hoe H.H. de wereld redde
    Gelul om in te wonen

    Bij eerste lezing heeft de poëzie van Wouter Godijn vooral veel van de lulligheid van slechte, inspiratieloos geschreven brieven. De huiselijke actualiteit van de schrijver wordt opgesomd tot in de kleinste details in de loop van een weinig belanghebbend betoog; alles om de pagina maar gevuld te krijgen. Vandaag de dag een communicatiemethode die men zich alom meent te kunnen permitteren op sociale media. Of het wenselijk is dat dichters zichzelf soortgelijks in hun gedichten toestaan lijkt me discutabel, maar vast staat dat Godijn geen enkele genreconventie mijdt. De meligheid knalt van het papier.

    Dat is een gegeven dat geldt voor het hele oeuvre van Godijn, maar in Hoe H.H. de wereld redde lijken de gedichten toch niet louter te bestaan uit ongerichte nonsens. Althans: dat bestaan ze wel, maar daarmee is het laatste er nog niet over gezegd. In een wereld waarin het gemeengoed is te vinden dat de woorden ‘betekenis’ en ‘waarheid’ nog slechts in het etymologisch woordenboek thuishoren, verdient een auteur die zich volledig lijkt te wijden aan de finale liquidatie van de connotaties van die woorden wellicht een iets uitgebreider duiding.

    Wijlen Jeroen Mettes typeerde Godijns werk op zijn blog treffend als ‘een soort gelul waarin je kunt wonen’. Onzin is het, maar prettige, huiselijke onzin. De pruttelende koffie dus, en daar dan lekker bij en over dichten. Toch suggereert Godijn in het openingsgedicht van Hoe H.H. de wereld redde iets meer te willen bewerkstelligen dan enig vermaak en verluchtiging bieden aan de hopeloze nihilist. Het openingsgedicht begint opvallend ernstig, met een ziekte die een einde maakte aan zijn verwondering en daarmee aan het traditionele dichterschap. Het gevolg is de toon die bij Godijn steeds weer terugkomt: droge stemmen die elk gedicht voorzien van ontnuchterende voetnoten en afgeleide alledaagse lulligheden. Maar dit gedicht eindigt zo:

    Nu is

    Nu is het wel zo’n beetje af hè? dit gedicht hoewel:
    is het een gedicht? is het niet:

    te strak, hoekig, te uitgesproken, te niets-
    (o, even tussen haakjes, zou u zo goed willen zijn die stem die erdoorheen
    neuzelt: een tafel is
    niet hetzelfde als een pijp, te negeren?)
    zeggend weet u:

    ik hoop geloof ik dat er nog iets bij komt,
    het doorhakken van een of andere gordiaanse knoop
    Alice die toch weer verdwijnt achter de spiegel,

    maar er gebeurt niets meer, helemaal niets, nou dan zal het dus wel af Wacht!

    ik zie iets, zie toch nóg iets, ongeveer zo


    kijken we beter krijg je dit:

    een spoor van punaises

    Het is een bekend procédé binnen de Nederlandse poëzie om de eigen, vaak existentieel zware, woorden in de slotregels van een gedicht te ontnuchteren. Bij Godijn neemt dit gegeven vaak groteske proporties aan. Bovendien is de echte zwaarte er nooit echt geweest. Daarvoor hadden er al teveel ontnuchterende stemmen tussen de regels door gekletst. Het statement aan het slot van dit gedicht verbaast daarom des te meer. Het beeld dat Godijn tevoorschijn tovert zit nog steeds in het domein van het lullige alledaagse, maar binnen dat domein is het er één van het gevaarlijker soort. Een beeld dat steekt, volgend op de vurige hoop van de dichter op een betekenisvolle, desnoods Lacaniaanse, aanvulling op het gedicht.

    De rest van de bundel volgt dat spoor van punaises. Die suggestie wordt althans gewekt in het slotgedicht, waarin het plotseling weer opduikt, alvorens Godijn vrolijk zwaaiend afscheid neemt van zijn lezer. De teleurstelling voor die lezer huist er in eerste instantie in dat de gedichten die kennelijk moesten prikken, dat eigenlijk nooit direct hebben gedaan. Godijn vervalt ook in deze bundel steeds weer in zijn meer en minder geslaagde gebabbel in het luchtledige. De hoop dat Godijn vanuit zijn verkenning van het futiele uiteindelijk bij iets betekenisvols terechtkomt vervliegt daardoor weer jammerlijk in het alledaagse.

    Uitzondering vormt het gedicht ‘NU’, waarin de al te nuchtere stem op de achtergrond blijft en de toon zowaar iets spannends en bezwerends krijgt. De teneur van de rest van de bundel is een andere, één die vooral op de zoetzure grinnik uit lijkt te zijn, maar misschien moeten we ook ‘NU’, net als het eerder geciteerde slot van het openingsgedicht, lezen als een statement dat aan de overige gedichten voorafgaat. Doen we dat, dan draait het perspectief en vindt al die lulligheid als het ware plaats in een geestelijk post mortem. De verstikkende betekenisloosheid van het alledaagse waarin de gedichten berusten gaat dan ineens wel degelijk venijnig prikken. Alsof deze gedichten bestaan vanuit of voorbij ‘een gat in de grond’, in het gruwelijke ‘NU’ waarin ze fungeren als een laatste vrouw, “een dikke,/ waarop je kan liggen als in een varkenstrog”. Doen we dat, dan is het een kwestie van tijd voordat de aanvankelijke grinnik verandert in een pijnlijke grimas.

           Sla de gong. Zwarte vogels
    boven mijn hoofd en zwarte vogels,
    zich vastklemmend aan mijn dijen.

           Sla de gong.
    Zwarte schreeuwen en -zwarte schreeuwen.

           Sla de gong.

    Ik was al eerder in een gat in de grond
    en hoog op de hoogste ladder
    maar de ladder was het gat en het gat was de ladder.

           Sla de gong.

    Goed, breng me dan eerst nog maar een vrouw één een dikke,
    waar je op kan liggen als in een varkenstrog
    en breng me dan geen vrouwen meer.

          Sla de gong.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2012
    RecensentMatthijs Ponte
    Editie2012-3