Recensies

  • Stormen, olielekken, motetten

    Xavier Roelens
    Stormen, olielekken, motetten

    Taal van een vegetariër

    Het lezen van de nieuwe bundel van Xavier Roelens heeft nog het meeste weg van staren naar een installatie in een museum. Je bekijkt hem van alle kanten, loopt er omheen, ziet hier en daar een detail dat je herkent, maar van het geheel begrijp je helemaal niets. Gelukkig hangt er meestal een kaartje bij met daarop de titel en soms ook de uitleg van de kunstenaar: dit heeft hij eigenlijk met de installatie bedoeld. Aha, denk je en je loopt weer door.

    Het verklarende kaartje bij Roelens’ bundel is de flaptekst: ‘In voortrazende, aftastende gedichten toont Stormen, olielekken, motetten betrokkenheid bij mens, taal en milieu. Na een particuliere openingscyclus trekt de taal zich in het middendeel open naar de bredere wereld, om in een apocalyptisch slot een tsunami aan meningen en feiten over de lezer te storten. (...) Door deze bundel te schrijven werd de auteur vegetariër.’ Ik geef het je te doen, een flaptekst voor een dichtbundel schrijven. ‘Aftastende gedichten’? De dichtbundel als mimevoorstelling? Een ‘taal die zich opentrekt naar een bredere wereld’ Visioenen van de dode zee die splijt. Dat past dan weer mooi bij die ‘tsunami aan meningen en feiten’. En dat je van een bundel schrijven vegetariër zou worden, lijkt me een grapje. (Zouden er ook dichters zijn die door het schrijven van een bundel vlees zijn gaan eten?)

    Hoewel: achterin is een leeslijst opgenomen met titels die kennelijk Roelens tot inspiratie hebben gediend. Daartussen staat onder andere het populaire anti-dierenetenboek Dieren eten van Jonathan Safran Foer. Dus de dichter werd na het lezen van dat boek vegetariër. Prima. Er staan meer maatschappelijke titels in die lijst: De laatste generatie. Hoe de natuur wraak neemt voor het broeikaseffect van Fred Pearce, of: Water. The causes, costs and future of global crisis, van Julian Caldecott. Ook dit lijkt me een prachtig boek: Ontdek en creëer zelf het universum: de tien archetypische bouwstenen van natuur, kunst en wetenschap van Michael S. Schneider. Maar wat moet ik nu met al die informatie? Ik heb al die boeken niet gelezen, ik voel me buitengesloten terwijl ik juist die bundel in wil.

    Dan maar gewoon beginnen. Er zijn drie afdelingen: ‘opwerpingen, reddingspogingen, stormen;’ ‘kolkingen, overijlingen, olielekken’ en ‘schuifelingen, toewijdingen, motetten’. De gedichten van de eerste afdeling hebben cijfers, behalve het laatste gedicht, dat het ‘start’. De tweede afdeling bevat gedichten met titels als ‘ja’, ‘neen/ja’ en ‘ja’, terwijl de gedichten in de motettenafdeling het gewichtige etiket ‘opus’ dragen. Dit helpt natuurlijk allemaal niet, maar het is misschien een kwestie van gewoon doorzetten. De drie afdelingen hebben alle een soort motto. In wat waarschijnlijk West-Vlaams is, althans, ergens in de leeslijst vinden we het boek West-Vlaams van Magda Devos en Reinhild Vandekerckhove. ‘O de wintre oes agterloat, est nie/ aljinne mo voe in de vlakke zunne/ me’t snukbeentje in de lugt te lign brunn...’ Enzovoort. Het klinkt prachtig, maar ik begrijp het niet. Waarom staat het er? Het moet belangrijk zijn, anders had Roelens dit niet opgeschreven. Ik ben nog niet aan het eerste gedicht toegekomen en ik loop vast; alsof de dichter me helemaal niet bij dit experiment wil betrekken, maar me met een serie aftastende gedichten op afstand houdt. De vorm, het concept is belangrijker dan wat ik lees. En dan begin ik te lezen.

    Ik lees gedichten over water (de leeslijst!), over dieren en vissen vooral, waaruit blijkt dat de dichter boos is over hoe de mens met de wereld omgaat. Ik lees feitelijke zinnetjes – ‘het 5 km lange droomstrand met zijn exotische palmbomen doet zich als absoluut highlight kennen en biedt optimale omstandigheden voor ultimatief badplezier’ –, onbegrijpelijke maar desondanks schitterende zinnetjes – ‘in de zomernacht jankt vredig de hor’ –, zinnen die op liedjes lijken – ‘zwemmen doet ophelia bij stille maan met al haar jurken aan’ en ik zie hallucinerende beelden zonder dat ik daar een betekenis aan kan hechten – ‘ze lepelt regenwater uit zijn hoofd, neemt hem bij de polsen en voorkomt dat hij de trein opstapt’. Dit zijn graspollen in een moeras van taal dat in de loop van de bundel steeds verder uit zal dijen. Hoogtedan wel dieptepunt is het 16 pagina’s tellende prozagedicht dat hier en daar op een omgevallen vissenencyclopedie lijkt. En hoewel de slotafdeling op het eerste gezicht wat vormvastere gedichten bevat, blijken ook deze vooral uit wat losse stenen opgetrokken taalbouwsels te zijn.

    Er zijn twee reacties mogelijk op Stormen, olielekken, motetten: een soort toegeeflijke opwinding, of een schouderophalende gelatenheid. Ik kwam uiteindelijk helaas niet verder dan de tweede.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2012
    RecensentJasper Henderson
    Editie2012-3