Recensies

  • De maat van de eenzaamheid

    Rodaan Al Galidi
    De maat van de eenzaamheid

    De eenzaamheid van Al Galidi

    Rodaan Al Galidi, die jaren geleden al Irak ontvluchtte om de militaire dienst te vermijden, zakte vorig najaar in Nederland voor de inburgeringstoets. Cynisch, want in 2007 hoorde hij met zijn bundel De herfst van Zorro bij de genomineerden van de VSB-poëzieprijs. Een dichter die het Nederlands onvoldoende machtig zou zijn of te weinig affiniteit zou hebben met onze cultuur, zou daarop nooit een kans maken. Zijn poëzie gaat precies over de mens die zijn plaats zoekt in de samenleving.

    Al Galidi streeft naar eenvoud in zijn gedichten. Hij is niet uit op syntactische verrassingen of op eigenzinnige inhoudelijke wendingen. Zijn werk moet het vooral van de frisse formulering en de verrassende observaties hebben. Hij kan scherp zijn voor onze samenleving, zoals in dit korte gedicht waarmee de bundel opent: ‘‘Ik hou van Holland’, zei de paraplu./ ‘Het is mijn land./ Ik kan me geen ander land voorstellen/ waar ik altijd zo mezelf kan zijn/ en zo open voor iedereen.’’

    Zoals de titel De maat van de eenzaamheid aangeeft, gaan veel gedichten over het isolement van het dichterlijke ik. Al Galidi gebruikt daarvoor wel vaker beelden uit het romantische arsenaal, zoals hier, waar hij ze in paradoxen verpakt: ‘ Bij de zee/ heb ik een glimlach nodig/ om haar mijn huilen te laten horen/ en een zandkorrel/ om mijn stilte voor haar te schrijven.’ Op zo’n moment zit zijn poëzie gevaarlijk dicht op de rand van het cliché. Dat doet ze wel vaker. Al Galidi is zich daar van bewust. Meer nog: hij wil het zo, want in ‘Niet meer de dichter’ luidt het: ‘Waardeer alsjeblieft mijn simpele woorden/ met woorden die simpeler zijn./ Ik ben nu op weg/ om de pagina te zijn/ en jij het gedicht.’

    Zijn eenzaamheid heeft niet alleen te maken met liefdesperikelen, maar ook met onze samenleving. Want het gedicht dat begint met ‘ Ik ging naar het centrum van de stad/ om een glimlach te vangen/ voor het lege aquarium van mijn blijheid’ eindigt met ‘De politieagent liep voorzichtig naar mij toe/ en vroeg naar mijn visvergunning’. Versregels als deze doen me denken aan het onterecht bijna vergeten werk van de overleden Vlaamse dichter en proza-auteur Gust Gils, omdat ook Al Galidi de werkelijkheid op een licht surreële manier en met absurde humor in beeld brengt, als een manier om zijn pijn vorm te geven. In meerdere gedichten geeft Al Galidi zijn erotisch verlangen gestalte. Hij verwoordt dat erg verleidelijk. Dames moeten wel smelten als ze hem zinnen horen voorlezen als ‘Ach, Neeltje,/ onthoud goed dat ik/ jou niet kreeg in het bos,/ maar in kamer 530 op de vijfde verdieping/ met geld voor een gestolen scooter/ en met een hart dat voor jou klopte als een ventilator.’ Je hoort er zo de innemende voordracht van Al Galidi bij. Regels als ‘Als de vrouw weggaat,/ kijk dan naar de lege handdoek van het strand./ Het is de maat van je eenzaamheid,/ niet groter’ zouden een zekere pathetiek kunnen doen vermoeden, maar Al Galidi is doorgaans speels genoeg om die valkuil te vermijden. Zoals wanneer hij zijn naam op een grafsteen gezien heeft: ‘Mijn God, Rodaan is ook vertrokken/ zonder dat ik het opmerkte.’

    De maat van de eenzaamheid is een poging van de dichter om zijn plaats te vinden. De oorlog, die hij in zijn thuisland ontvluchtte, wordt op een existentieel niveau voortgezet in het land waar hij zijn toevlucht heeft gezocht: ‘Waakzaam zal ik deze cel verlaten/ en ergens zal ik ze om mij heen bouwen/ opdat ik niet naar haar terugkeer.’ Ook een relatie kan een vorm van gevangenschap zijn: ‘Morgen/ ga ik naar de vrouw van wie ik hou/ en geef ik haar haar vleugels terug./ Morgen/ is zij niet meer/ mijn kooi.’ Het gevoel van onvrijheid dat de dichter ook bij ons heeft, is natuurlijk problematisch, zoals blijkt uit ‘Gesprek met een paar muren’, een van de meest indringende gedichten uit de bundel: ‘Weten jullie/ dat ik er serieus over denk/ om mijn bestaan te verlaten? (...) Al wat ik vond/ waren mannen/ die mij in vele oorlogen veranderden/ en vrouwen/ in dezelfde eenzaamheid./ Dit.’ Hij probeert een oplossing te bieden aan zijn existentiële eenzaamheid door een aantal facetten van zijn persoonlijkheid van zich af te schudden, zodat hij niet meer zo kwetsbaar is voor zijn vijanden: ‘Ze hebben mij duizenden keren vermoord/ en nu is het tijd om mijn levens van hen te bevrijden./ Ik begin met Rodaan de mens,/ dan Rodaan de denker, de voeler,/de twijfelaar, de laffe, de stille.../ Ik vermoord ze allemaal, behalve twee:/ de dromer en het beest./ Een voor mij/ en een voor de harde realiteit.’

    Al Galidi zegt zelf: ‘Ik heb de melk van de taal lang geschud om de boter ervan te stelen, zodat de lezer niet in mijn melk hoeft te duiken op zoek naar het gedicht.’ Over renners die gemakkelijk fietsen, zegt men dat ze in de boter trappen. Zo gemakkelijk gaat de lezer door Al Galidi’s bundel. Gelukkig blijft hij hier en daar ook haken.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2012
    RecensentPaul Demets
    Editie2012-3