Recensies

  • Buiten westen

    David Troch
    Buiten westen

    Als een boer met kiespijn

    In het eerste jaar dat de Vlamingen mochten meedoen met de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, kaapten ze meteen de hoofdprijs weg. David Troch heette de dichter die de trofee meenam en zijn gedicht heette ‘wij waren geen jongens’. Het werd vooral om zijn beeldende kracht geroemd. Vrij snel na deze bekroning publiceert het PoëzieCentrum buiten westen, Trochs tweede bundel. Degenen die door de bekroning nieuwsgierig zijn geworden, worden dus op hun wenken bediend – want vermoedelijk heeft niet iedereen het debuut laat[avond]taal uit 2008 in de kast staan.

    Wie ‘wij waren geen jongens’ mooi vond, zal zeker niet worden teleurgesteld door buiten westen. De gedichten in deze bundel hebben dezelfde beeldende kracht, dezelfde eenvoud en dezelfde subtiele humor als het prijswinnende gedicht. En met ‘humor’ doel ik op humor van de tragikomische soort, grapjes waar je om lacht als een boer met kiespijn, omdat het schrijnt. Een willekeurig voorbeeld, het vierde gedicht uit de reeks ‘beeldbuis’:

    de afstandsbediening bleef onaangeroerd.
    ook op momenten dat wij van verveling
    stomweg tegen elkaar aan vielen, zapten

    wij geen reclame weg.

    In deze hele reeks, bestaande uit zeven gedichten, wordt het cliché van de televisiekijkende burger tot in het extreme doorgetrokken. Dat is grappig, het levert beelden op die ook in een film van Laurel & Hardy hadden kunnen zitten. Jammer genoeg houdt Troch het ‘wij’-perspectief niet consequent vol. Het slot van het gedicht waar ik de regels hierboven uit citeerde meldt bijvoorbeeld:

    bij momenten waren wij ons
    vaag bewust dat er ook wat anders was.

    Een dergelijke regel kan alleen worden genoteerd door iemand die zich er méér dan vaag van bewust is dat er ook iets anders is dan de televisie. De tragiek van de ‘wij’ uit de gedichten is echter juist dat ze niet ontwaken uit die halfslaap. Dat betekent dus dat de regels zijn genoteerd door de ‘ik’ die ons in het afsluitende gedicht voorhoudt: ‘het is bijzonder buiten de deur’, een conclusie waar de dichter zeven gedichten lang opzichtig naartoe werkt. En hoewel het zeker geen straf was met deze gedichten mee te gaan, stelt het uiteindelijk een tikkeltje teleur dat de conclusie niet verrassender is.

    Het grootste deel van deze bundel bestaat uit gedichten met drie drieregelige strofen. Dit suggereert een grote vormvastheid. Toch valt dat wel mee, omdat de regels van Troch zich nogal vrij binnen dit keurslijf bewegen. De bijna prozaïsche regels worden op het oog eenvoudigweg afgebroken op het moment dat ze het uiterlijk van het gedicht dreigen te verstoren. Soms gebeurt dat mooi, zoals in de regels ‘onhebbelijkheden hebben zo hun/ tederheid’, waarbij de afbreking voor ‘tederheid’ de lading van dat woord versterkt. Maar soms zijn de afbrekingen nogal onbeholpen. Een afbreking als ‘waar wij rapport// van uitbrachten’ is misschien functioneel in een voordracht, als op die plek inderdaad wat langer wordt gepauzeerd, maar ook dan is het eigenlijk een loos effect.

    De gedichten van Troch zijn lichtvoetig, wat niet betekent dat ze ‘licht’ zijn. Met name in de gedichten achter in de bundel wordt niet meer gelachen, zelfs niet als een boer met kiespijn. De drie gedichten ‘de vergeetachtige’ beschrijven een dementerende grootvader:

    wat zeg jij nu? en je mondhoeken
    trokken zich naar beneden, je leek na te
    denken. als jij mijn kleinzoon was, zou jij

    mij hier niet achterlaten.

    En in de dramatische, droomachtige reeks ‘op een dag zal ik door bossen lopen’, die is geïnspireerd op dichtregels van Herman de Coninck en die qua vorm afwijkt van de rest van de bundel, wordt zelfs opvallend veel gehuild. Dit zijn de gedichten waarin Troch het duidelijkst laat zien waarom hij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd heeft gewonnen.

    UitgeverPoëziecentrum Gent
    Jaartal2012
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2012-3