Recensies

  • Ge sta mel de werken

    Rozalie Hirs
    Ge sta mel de werken

    Alomvattend onpersoonlijk

    Het is niet haar verzameld werk, nee, de vijfde bundel van Rozalie Hirs bevat volgens de titel ‘Ge sta mel de werken’. Met spaties.

    En zoals de titel belooft zijn deze gedichten weinig uitgesproken, weinig gearticuleerd. Hirs’ woorden volgen elkaar als vogels in een zwerm die zelf ook niet precies weten waar de zwerm heen wil. Ze vliegen een gedachte achterna, maar welke?

    vliegende ogen met verende vleugels lichten geworpen
    op een landkaart getekend in handen vlammend
    klaarwakker dat zei ik toch niet een ademloos lichtgewicht
    honingmerk en stuifmeel van levende klaprozen (...)

    In deze eerste regels staat ook nog eens tussen gedachtestreepjes ‘dat zei ik toch niet’, als een waarschuwing aan de lezer. Denk maar niet dat je deze gedichten ergens op kunt betrappen. Ze doen geen uitspraak. De woorden hebben genoeg aan zichzelf en schudden het korset van interpretatie van zich af.

    Vitaal klinkt het allemaal wel, om niet te zeggen hysterisch. Ademloos, verliefd, ondraaglijk bijna witte vleugels, lichtstralen... en dan heb ik alleen nog maar uit de eerste drie gedichten een paar woorden gekozen. In het slotgedicht staat ‘geluksalarm’ en in het één na laatste gedicht ‘toverdriet’. Het hele heelal raast in deze bundel voorbij, tot een serie over de sterrenbeelden aan toe. Die sterrenserie staat in witte letters tegen een zwarte achtergrond, met die sterrenbeelden in witte stipjes eronder. Dit gaat over de stier:

    helder prangend oog van een grijze reus net als jij
    op den duur een dwerg zal je lijf al lichter
    zijn twee horens aan weerskanten van je hoofd
    net een boog en boog zo overvloedig
    vuistdik rechts van het rode oog die hoop
    op sterren een open veertienhonderdtal
    en zeven zusjes zo jong of jonger nog dan
    een maan om je aarde zwaait er al

    een miljoen jaar onder de zuidhoorn
    voor geile heksen en bezemstelen op de vlucht (...)

    Etcetera, ben ik geneigd te zeggen. Zo gaat het nog een paar regels door. Wat ze ook beschrijft, het blijft allemaal even extatisch. Verderop in het stiergedicht verschijnen woorden als ‘supernova koortsachtige overblijfselen’ en ‘vlammend roodblauwe filamenten’.

    Verfrissend, zulk compromisloos vitalisme, zulk onverbloemd geluk in het dichten. Toch heeft het soms ook iets onuitstaanbaars. Het borrelt, zindert en straalt maar voort in de ogen van deze dichter, maar het klinkt zo onpersoonlijk, zo theoretisch, alsof het allemaal een kwestie van perspectief is. Alsof het een manier van kijken is die iedereen zich eigen zou kunnen maken.

    En misschien zelfs eigen zou moeten maken, lijkt de suggestie. Hirs belicht de mooie kant van het stamelen en het gebrek aan duidelijkheid. Ze ziet stamelen als een manier om zichzelf te overstijgen: ‘een falen tegelijk onmetelijk licht/ (...) een falen bij de tijd van nu en van mij – tegelijk/ even alomvattend// onpersoonlijk’.

    Maar zou ze dan bedoelen dat deze gedichten zo onpersoonlijk zijn, dat ze alomvattend worden? Dat ze alle personen omvatten? Mij ook? Daarvoor is het me, ondanks alle extase, te afstandelijk.

    Zelfs als het over seks gaat, lijkt de dichter meer naar opwinding te verwijzen dan de opwinding werkelijk te wekken. Op een gegeven moment schrijft ze over een man met een strak broekje en een knalrood strak truitje. Misschien raakt ze van de kook en wil ze de controle terugvinden; in elk geval kiest ze twee keer een andere onpersoonlijke vorm. Eerst de jij-vorm (‘lente lacht je aan’) en dan de wijvorm (‘zijn wij permanent gekleurspoeld/ het erover eens// dat rondom belachelijk/ hij ronduit om op te vreten/ mee naar huis te nemen/ te neuken/ is’).

    Overigens dekt deze poëzie zich tegen zulke bedenkingen in: ‘een maar is maar een maar/ zo stoffig ongewoon versleten maar/ al te vaak gebruikt’, aldus Hirs. Waarschijnlijk laat haar ideale lezer zich zonder voorbehoud meesleuren; mij is dat niet gelukt.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2012
    RecensentBas Belleman
    Editie2012-3