Recensies

  • Spreekt de troubadour

    Henry Sepers
    Spreekt de troubadour

    Niet slechts de topoi

    De troubadours uit lang vervlogen tijden bezongen in het Occitaans, of de Langue d’Oc, de hoofse liefde. Voor hun adellijke gehoor hemelden zij deze of gene volslagen onbereikbare deerne op, naar wie vurig werd verlangd, maar met wie het verlangen in vleselijke zin nooit zou – nooit mocht – worden gedeeld. Dat tussen literair ideaal en de aardse praktijk nogal een gat kon gapen, bewees bijvoorbeeld Bernart de Ventadorn. Hij zong zijn hoofse liederen in dienst van edelman Elbe III, maar zag er tussen de bedrijven door geen been in de lakens te delen met de vrouw van zijn broodheer. Bernart en zijn collega’s, zoals Guilhem IX, spelen een hoofdrol in Henry Sepers’ tweede bundel Spreekt de troubadour. Ging Sepers in zijn debuutbundel Baaierd in 2009 fraai aan de haal met de Bijbel en vooral de Metamorphosen van Ovidius, ditmaal begeeft hij zich een goed stel eeuwen dichter bij huis, met de twaalfdeeeuwse minnezangers als inspiratiebron en uitgangspunt.

    De bundel laat zich lezen als een poging het liefdesideaal van weleer te testen op zijn houdbaarheid in huidige tijden. Een in de titelreeks in ons heden tot leven gewekte troubadour merkt bij het begluren van een decolleté en een strak in spijkerstof gespannen kruis droogjes op: ‘ik kroop niet onder de steen vandaan/ voor een liefde die slechts de topoi volgt.’

    In de eerste afdeling, ‘Amor de lonh’ (de verre, onbereikbare liefde), beweegt alles, en vooral de liefde, zich steeds tussen twee polen; meteen in het begin noemt Sepers ‘het dal der lusten// waar dichters liedjes over schrijven./ In de woestijn roepen zij schoonheid/ op maar beleven haar niet zelf’. Het warme vlees staat tegenover het koude metaal van een bronzen beeld, het kwelen van ‘geurloze engelen’ tegenover het door een vrouw gezongen ‘lied van hemelse geilheid’. Kortom: de klassieke tegenstelling tussen lichaam en geest, kunst en leven staat centraal.

    Die tegenstelling blijft ook in het vervolg overheersen, maar het gewicht verschuift gaandeweg, aan de hand van ondervinding: ‘Wie als een monnik begint eindigt als minnaar/ om bij het hoogste te geraken’, en even verderop: ‘Pogingen om je billen te sublimeren zijn tot dusverre/ mislukt’ (...) ‘ik wil ze niet verheffen, wil ze kneden bijten/ strelen, zonder die verdomde alles heiligende taal.’ Want, nog wat verder, in het reeksje ‘Paradise lost’: ‘Er smeult een geschiedenis/ na in onze lijven// dat wij vlees willen zijn/ doorbloed en dooraderd’.

    En toch. Naar het einde van de bundel toe ontstaat er, tussen ingeloste lust en onvervuld verlangen in, ruimte voor tederheid. In de reeks ‘Wij beiden’ laat Sepers de oude romanticus A. Roland Holst (‘Zwerversliefde’) elegant tussen zijn eigen regels door zingen, en kan die zeggen: ‘laten wij zacht zijn voor elkander’. Sepers droeg zijn bundel op aan ‘H.’, die hij ‘de nabije prinses’ noemt. Met Spreekt de troubadour schreef hij haar een waarlijke liefdesbundel, waarin wanhopig gezocht wordt, maar uiteindelijk ook gevonden. Hij zet daarbij een register in dat soms ronkt en raast, maar toch voldoende aan de leiband van de dichter blijft om lyrisch te overtuigen. Uitsluitend dankzij ‘die verdomde alles heiligende taal’, en de beheersing ervan, kan de ware liefde beleden worden en volledig zijn. Een liefde die vertrok vanuit de 12e eeuwse topoi, maar -ook dankzij de moderne stoffering van veel van de gedichtenhaar plek heeft in het heden.

    Overigens sleet Bernart de Ventadorn de laatste jaren van zijn leven in een klooster in de Dordogne: ‘wie als minnaar begint eindigt als monnik,’ schrijft Sepers.

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2012
    RecensentThomas Möhlmann
    Editie2012-3