Recensies

  • Haar nijlpaard optillen

    Tomas Lieske
    Haar nijlpaard optillen

    Waarzegger te midden van microben

    Laat ik om te beginnen iets bijkomstigs vertellen. Ik las Haar nijlpaard optillen op het strand. Niet de aangewezen locatie allicht voor het lezen van poëzie maar bij Tomas Lieske kan het geen kwaad. Dat is zulke eigenaardige poëzie dat je haar willekeurig waar kunt lezen, omdat ze je toch helemaal uit de normale wereld wegvoert, ver de bebouwde kom uit, en ik heb overigens ook het gevoel dat bij Hagenees Lieske strand, duinen en überhaupt natuur nooit ver weg zijn.

    Het begint al met de titel, ik zag direct een man voor me die een op zijn vrouw liggend nijlpaard probeert te verwijderen, een Dali-achtige tafereel. Is Lieske dus een surrealist? Nee, ik geloof niet dat hij onderen onbewuste gevoelsstromen probeert te verbeelden, zijn gedichten zijn eerder fantastisch, het is een soort visioenenkunst. Het lyrisch ik noemt zich ergens ‘waarzegger te midden van microben’.

    Lieskes ‘metafysische’ obsessie blijkt direct uit de eerste afdeling ‘Geesten’, daaruit het eerste gedicht ‘De geur van geesten’, dat gaat over het verdampen van de ouderwetse engelen: ‘Onze magnifieke vechters roken naar interstellair mangaan/ naar schroeiend magma met hun vleugels op harnas.’ Maar inmiddels is daar niet meer ‘dan een dauw van gedachten’ van overgebleven. Lieske oppert zelfs dat als de engelbewaarders verdwijnen ook de mens er niet meer is. Zoveel waarde hecht hij dus aan het bovenzinnelijke. In het vervolg van deze afdeling roept hij dan ook de ene engel na de andere op, waaronder zelfs de onvergetelijke uitgever-criticus Anthony Mertens en, bien etonné, een filmspetter uit zijn jeugd, Anita Ekberg.

    Nu wordt er de laatste jaren wel vaker over de noodzaak of de noodlottige eclips van engelen geschreven, bijvoorbeeld door de dichter Bernlef in De noodzakelijke engel of door de Noorse schrijver Knausgard in zijn roman Engelen vallen langzaam. Het is dan ook niet zozeer Lieskes thematiek die treft maar de manier waarop hij zijn gedichten in de verf zet, vol taalplezier en krachtige verbeelding.

    Neem bijvoorbeeld het gedicht uit de tweede afdeling ‘Magdalena, Shakespeare’, ‘Kikker, gekruisigd door een klapekster’ waarin de lijdende kikker zich afvraagt waarom er geen drama of evangelie aan hem wordt gewijd. Het begint als volgt:

    Ik mij spog spog midden op de paaiplaats
    furieus in een uitklop met volle fist
    vastklampen aan een drille kikkermeid
    en door haar jonkheid alleen puiloog
    voor de schoonheid van haar lentekroos
    en dus

    gegrepen door een klapekster.

    Deze onoplettende want parende kikker levert zo een Lucebert-achtig taalspel op. Die taalvreugde in Lieskes gedichten is enorm. Hij houdt ervan in zijn gedichten te reppen van zaken als ‘berceau van verstand’, ‘asjeweine’, ‘brakke harkbroek’. Of hij laat zich inspireren door namen van dorpen en polders in het Hollandse wateren weidegebied: ‘De Wijde Aa’, ‘De polder Waterloos’. Ik heb wel eens het idee dat dichters die zich zo op de taal verlaten langzaamaan aan het uitsterven zijn, dichters zoals Achterberg die zat te dromen bij het woord ‘coelacanth’ of zelfs Vestdijk die om de gekheid van het woord een gedicht met ‘zeeajuin’ schreef. Tomas Lieske behoort onmiskenbaar tot dat oude gilde. Maar het staat er bij hem nooit zomaar, het zijn sleutels tot een andere dimensie, de droomwereld van de poëzie. In het gedicht ‘Dromen, getallen’ beschrijft Lieske hoe dat zit:

    Dromen die voortleven zijn als imaginaire getallen:
    ze hebben kwaliteit, ze zijn bruikbaar, onmisbaar
    bij berekeningen en tegelijk onmogelijk.

    Ze knagen je nagels, spreken een taal, ze brengen geluk
    terwijl ze niet eens bestaan.

    In die wereld van niet bestaande verleiders en geluksbrengers spelen Lieskes gedichten zich af. Het is een eigenschap van zijn werk die zich verbinden laat met zijn achtergrond als theaterwetenschapper: hij speelt een spel, een ernstig spel weliswaar maar niettemin. Zelfs in de strenge Bach ziet hij dat streven naar het onmogelijke terug, dat hoogste artistieke idealisme, als hij een gedicht wijdt aan diens beroemde cantate BWV 147:

    Hij zag de raadsels en de wonderen en wist
    dat er hogere wetten waren die al dat vreemds verklaarden.
    Hij wist dat hij te kort zou schieten als hij niet
    in het onmogelijke zou geloven. En hij schreef
    mit Herz und Mund und Tat und Leben.

    Het is niet het beste gedicht van Lieske, soms verliest hij zich ook wel eens in pure lekkerschrijverij, maar wel weer een die zijn poëtica typeert.

    Tijdens een vertaalworkshop van Poetry International rond zijn werk viel mij op dat Lieske zich niet geneert om subjectieve, voor de lezer lichtelijk onbegrijpelijke of ideosyncratische evenementen uit zijn leven en gewaarwordingen tot onderwerp te nemen. Voor veel dichters is zo’n ontstentenis van objectieve aanleidingen een hachelijke onderneming maar Lieske vaagt dat bezwaar weg met zijn fantasie en taalspektakel. Nooit om zich zelfs wille, maar om haast onbenoembare zaken toch te benaderen: seks, de geest van dieren, het wezen van de natuur. De zaken waar het, los van politiek, maatschappij en menselijke psychologie, allemaal om draait.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2012
    RecensentRob Schouten
    Editie2012-3