Recensies

  • In goed en kwaad

    Fritzi Harmsen van Beek
    In goed en kwaad

    Een wonderlijke stem

    Kan het inmiddels, het literaire werk van Fritzi Harmsen van Beek (1927-2009) ter hand nemen zonder de persoon van de schrijfster in de lezing te betrekken? Zonder haar opmerkelijke wijze van spreken, haar wilde (liefdes)leven, haar grillige persoonlijkheid in de gedichten terug te willen lezen? Kan het werk nu eindelijk op de eigen merites worden beoordeeld, of werd het dat toch altijd al?

    Toen ik haar poëzie en korte proza begon te lezen, publiceerde Harmsen van Beek nauwelijks nog, leefde ze teruggetrokken en begon de overweldigende belangstelling voor haar persoon en werk langzaamaan, heel langzaamaan, te tanen. Maar de glans van haar debuutbundel Geachte muizenpoot en achttien andere gedichten (1965) was nog lang niet gedoofd en kon een dichter in spé onmogelijk ontgaan. Hoe vaak die bundel mij niet in de handen is geduwd: Lees dit! Dit is ongeëvenaard! Dit werk mag je niet niet-gelezen hebben! Deze bundel heb je toch wel? Dat enthousiasme voor een in 1965 verschenen debuut dat nog geen 40 pagina’s telde, maakte bijna evenveel indruk op me als de dichtbundel zelf.

    Bijna, want werkelijk, iedere poëzieliefhebber zou die bundel moeten lezen en herlezen. Zo speels in taal en toon is maar weinig poëzie, zo’n onvervreemdbare stem heeft maar een enkele dichter. De ondertoon is soms donker of zelfs bitter, maar alle onverwachte wendingen, associaties en terzijdes houden de gedichten licht. Het is poëzie die je meevoert. Het is een genot haar voor te lezen.

    Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping

    is U de zachte nacht bevallen, hebben de on
    deugende, geheimzinnige planten naar behoren

    gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige
    zuigelingen aan de builenpest bezweken?

    Hebt u de interessante nerveuze godvruchtige
    vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel

    bekeken, druk telefonerend van: hallo met piet,
    kom je op mijn tak [...]

    Door deze poëzie te laten klinken, krijg je vaak makkelijker toegang tot de gedichten omdat je vanzelf meegaat met haar wisselingen in registers en ritme. In het vierdelige ‘De poëtische avonturen van Polsmofje en het poesje Fik’, bijvoorbeeld, hoor je pas door het hardop voor te lezen dat poesje Fik in viervoetige rijmende regels spreekt. Maar dit is geen poëzie om alleen te laten klinken, daarvoor is ze te gelaagd. Zo krijgen op papier de enjambementen soms een betekenis die bij voorlezing verdwijnt. Kijk maar naar deze regels van het openingsgedicht:

    [...] Als
    iemand mij maar ver
    leiden kon van die verdoemde onheilige waar
    schijnlijkheid [...]
    [...] Als
    niemand mij dan thuis
    kan brengen alvorens ik verloren ga als dubbel
    zinnigheid zonder gelijke [...]

    Het onlangs verschenen verzameld werk In goed en kwaad bevat met zijn 500 pagina’s natuurlijk veel meer dan alleen het 40 pagina’s tellende debuut. Het proza dat in de jaren na het debuut verscheen (Wat knaagt? (1968), Neerbraak (1969) en Hoenderlust (1972)) ligt dicht tegen Harmen van Beeks poëzie aan. Dezelfde wonderlijke stem is aan het woord.

    In de tweede dichtbundel Kus of ik schrijf (1975) is de stijl gewoontjes in vergelijking met het debuut. De grammatica wijkt maar zelden af van die van gemiddelde prozazinnen. In deze tweede bundel nadert Harmsen van Beeks poëzie juist weer haar proza. De inhoud is over het algemeen vrij helder, maar de meeste gedichten hebben weinig brille. Terzijdes willen maar niet grappig worden. Het taalplezier is teruggebracht tot wat onelegant eindrijm, veelal flauw woordspel en hier en daar een ongewone grammaticale constructie. Uit ‘Mollade’:

    Nu heerst in die hut een rommel
    die je niet voor mogelijk houdt.
    Het is niks als roeste kachels, kromme
    spijkers en beschimmeld hout.

    Maakte Harmsen van Beek een knieval voor het grote publiek? Voor verstaanbaarheid en toegankelijkheid? Het is niet dat ze het niet meer kon, het dichten. De afdeling ‘Verspreid werk’ bevat een aantal gedichten die een mooie opmaat hadden kunnen vormen voor een derde bundel. Maar tot een derde bundel kwam het nooit. Dit Verzameld werk maakt dat gemis deels goed.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2012
    RecensentHélène Gelèns
    Editie2012-3