Recensies

  • Hoi feest

    Ellen Deckwitz
    Hoi feest

    Welkom op het feest

    Anderhalf jaar na haar debuut De steen vreest mij, waarmee ze de Buddingh’-prijs won, komt Ellen Deckwitz met haar tweede bundel: Hoi feest. Dat klinkt alvast vrolijk, want wie heeft er geen zin in een feestje? Die titel krijgt in deze bundel vanzelfsprekend een ironisch randje, maar in het eerste gedicht nog niet. Dat begint met een poëtisch gezelschapsspelletje:

    Vouw je handen in elkaar en ga
    de betekenissen na die opkomen:

    1a. bidden (ze nemen toe),
    1b. applaus (ze vallen af)

    Dit gaat nog even door met een paar aanwijzingen voor wat je daarna moet doen (Breng bovenstaande tot ontploffing/ en de handen vormen een pad/ tussen je polsen) en je staat op een kleine achterstand: de dichter weet al wat ze bedoelt, maar jij moet het nog even snappen.

    Het is het soort grapje van een populair meisje op een tienerfeestje. Iedereen wil bij haar feeststemming aanhaken en probeert de handen zo te vouwen als zij: hoe doet ze dat en waar is ze op uit?

    Over de eindeloze jaren zo tussen de vijftien en vijfentwintig gaat deze bundel – of in ieder geval over het levensgevoel van die jaren, met alle feesten, grappen en onzekerheid die erbij horen. En alle liefdes, natuurlijk.

    Hij haalt diep adem, wijst naar het geraamte
    van een gebouw en zegt vervolgens:

    dat is net een geraamte.

    O jee, was ik maar een geraamte. Of nog
    magerder. Dan kon ik eindelijk sijpelen
    door de muur tussen ons.

    Ook nu loopt ze weer een stapje voor: zij spreekt al van een geraamte voordat hij dat doet. Daardoor weet je ook dat deze slome jongen eigenlijk een passant is, waar ze maar toevallig haar oog op heeft laten vallen. Morgen is ze vast op hem uitgekeken. Aandoenlijk dat ze toch naar hem verlangt en niet weet hoe ze hem moet veroveren.

    Veel heviger wordt het leed overigens niet. In alle angsten overheerst het jeugdige vertrouwen dat het uiteindelijk wel goed komt. Het ergste zal zijn/ dat je tegen niemand zeggen kan: weet je nog/ / hoe de naden knapten. Je vest in het stuur/ van een tegenligger haakte. Als dat het ergste is...

    Ook het godsverlangen neemt in deze bundel puberale vormen aan. Want wie is God? Misschien wel iemand die je gewoon kunt ontmoeten. Ik hoor iemand in het trappenhuis/ en haast me om te zien of hij het is. De stappen/ houden halverwege op. En in prille overmoed verlang je nog geen troost van God, maar dicht je jezelf het vermogen toe om Hem gerust te stellen: Ik roep dat het wel goed komt met ons./ Zal boterhammen onder zijn deur door sjoelen.

    Uiteindelijk ontstaat het feest in deze bundel doordat de dichteres telkens charmante schijnbewegingen maakt en gezellige speldenprikjes uitdeelt. Vaak genoeg gebruikt ze daarvoor het aloude witregeleffect waarbij de zin alsnog doorloopt (Straks maakt de lucht zich op// voor de nacht). Origineel is anders, maar feestvierders hoeven ook niet bijzonder avantgardistisch bezig te zijn. Al denken anderen daar soms anders over. Met het pseudo-avantgardisme van andere dichters spot Deckwitz:

    Het zou kunnen dat dit mijn voorbeelden zijn, knuppels
    waarmee ze gardes na-apen. Nemen hun helm af
    en noemen het vergiet.

    Hoe zij zich met dit alles tot de literatuurgeschiedenis verhoudt? In haar tweede bundel lijkt ze daar nog niet zo mee bezig. Eerst deze gedichten over de jeugd.

    Ze werken aanstekelijk. Sommige dichters voeren in hun bundels een hoogmis op waarbij het nauwelijks uitmaakt of de lezer wel of niet aanwezig is: het gedicht voltrekt zich toch wel. Maar bij Deckwitz krijg je het gevoel dat de lezer juist van harte welkom is. In je eentje vier je geen feest.

    UitgeverNijgh & Van Ditmar
    Jaartal2012
    RecensentBas Belleman
    Editie2013-1