Recensies

  • Transit

    Frans Budé
    Transit

    Tevreden ondergaan

    Elders in dit blad bekende ik dat dunne bundels mij beter bevallen dan dikke. Frans Budé heeft daar geen boodschap aan. ‘Een zalige dikke bundel over reizen naar buiten en naar binnen’, noemde het Limburgs Dagblad een vorig werkstuk van hem. En ook zijn nieuwe bundel Transit lijdt bepaald niet aan anorexie. Er staan zoveel gedichten in, een kleine honderd schat ik, dat er zelfs geen plaats is voor een inhoudsopgave. Geeft ook niet, je gaat in Budé’s werk niet gauw op zoek naar dat ene gedicht. Hij is de dichter van een en dezelfde toon, al zijn verzen voltrekken zich min of meer op dezelfde wijze: aardig geformuleerd, zonder wanklanken of uitschieters, verstild, vredig.

    Misschien komt dat wel omdat deze dichter zijn eigen gemoed buiten beschouwing laat. Zijn gedichten zijn steeds woorden, zinnen, formulering bíj iets, bij landschappen, stadsgezichten, souvenirs uit verre landen, bij het werk van andere kunstenaars. Dat maakt hem in zekere zin een onpersoonlijk dichter, als je hem tenminste niet juist uit zijn belangstellingen en keuzes wilt leren kennen.

    Budé’s eentonigheid lijkt mij een bewuste keuze, ver van alle modernisme en postmodernisme schrijft hij een soort poëzie die de zinnen streelt, die mooie of rake beelden oproept, fijne formuleringen voortbrengt, maar spannend is het nergens. Wie één gedicht heeft gelezen heeft ze eigenlijk allemaal wel gelezen, of het nu over een Luikse ober, een Japans masker, een wijngaardslak of een Limburgs riviertje gaat, steeds is de stemming gelaten, passief, observerend. En dus heb je ook wel eens het gevoel dat de dichter eindeloos zo kan doorgaan, zoals de componist Simeon Ten Holt, zal ik maar zeggen.

    Een van zijn gedichten eindigt met de frase ‘Dit alles is het waard’ en dat moet wel de grondstemming van dit werk zijn, de hele wereld is de blik en de gedachten van deze dichter waard. Hij is ook niet specifiek op zoek naar een diepere betekenis van al die beelden die op hem afkomen, hij is geen verhulde symbolist al doet zijn werk hier en daar wel aan de Tachtigers denken.

    Ach, laten we maar eens een gedicht citeren: ‘La Tesa. Rond de vijver’, uit de afdeling ‘Landgoed’, (foto)herinneringen van de dichter aan vroeger:

    Op een dag struinen hier kraaien rond, schilfert
    het gouden jaartal boven de toegangspoort, hanenbalken
    bloot, je weet dat het zover komt. Vleermuizen in en uit,
    het bootje in de vijver dobbert doelloos rond.

    Daar is de wind goed voor, niet te geloven hoe het zwalkt,
    zonder eigen kracht vooruit, geen belang om terug te keren,
    een beeld dat je droomt. Onder een hoge hoed een onbekende,

    ongeduldig starend in het zwarte water, eeuwenoude
    muren die zich rechten, binnenstebuiten, midden op de dag.

    Dit is wat de dood vermag: steeds dezelfde rondjes draaien,
    aarzelend kringelen, even maar, dan met alles aan de haal.

    Mooi gedicht over vergankelijkheid en dood, vol beelden die er niet om liegen: kraaien, vleermuizen, zwart water, iemand met een hoge hoed, Budé doet niet geheimzinnig over zijn bedoelingen met zo’n vers. Je kunt wel kritiek hebben op al dat overduidelijke in zijn gedichten maar het geeft ook wel een soort kalmte. Wie Transit gelezen heeft, voelt de neiging om achterover te gaan zitten en wat voor zich uit te kijken. Het zijn in hoofdzaak tevredenmakende, geruststellende gedichten en dat is ook een verdienste.

    Zelfs in die paar stadsgedichten laait het vuur niet op als de personages uit het gedicht ‘Na de pistolets’ ‘tussen onrustige waxinelichtjes jouw vlaaien aten.’ Erg Limburgs ook allemaal, ondanks de bezoekjes aan Parijs, het speelgoedautootje uit Tanzania en de geboorte van Donald Duck. Deze dichter laat zich gewoon nergens door van zijn wijs brengen.

    UitgeverMeulenhoff Boekerij B.V.
    Jaartal2012
    RecensentRob Schouten
    Editie2013-1