Recensies

  • Maar zingend

    Mark Boog
    Maar zingend

    Maar dan sta ik weer op

    Al was er beslist sprake van humor in Mark Boogs eerdere werk, Maar zingend is zijn meest ironische en ook meest sprankelende bundel. De alledaagse, droge woordkeuze is nog altijd herkenbaar. Ook de thema’s, de levensvragen en bespiegelingen op kleinmenselijk leed zijn typisch Boog, maar in het verloop van deze bundel schuilt steeds vaker een kwinkslag, een klein sprankje zelfspot dat het geheel uitermate komisch maakt. Neem een gedicht als ‘Er is altijd hoop,’ op zich al een komische titel, dat opent met de regels: ‘Dit is de manier waarop ík mijn leven wens te vergooien,/ niet de manier waarop jij je leven wenst te vergooien./ Hoezeer ik commentaar ook op prijs stel, houd je mond.’ Of het gedicht ‘Replay value’, dat als volgt begint:

    De replay value van het leven is gelukkig laag.
    Almaar ploegen om de volgende dag het land
    onaangedaan te vinden, dat zou niet leuk zijn.
    Het is de bedoeling dat we zaaien, zaaien.

    Oogsten. Zelfs mislukt is de oogst een verhaal,
    en eetbaar. Vertel! Vuur brandt in de haard.
    Laag de rook. Schaar ons rond de zware tafel.
    ‘Mij overkwam.’ ‘Geen nood, het is normaal.’

    Om de regel ‘Zelfs mislukt is de oogst een verhaal’ moest ik grinniken, maar om de terloopse opmerking ‘Geen nood, het is normaal’ lachte ik voluit. De geruststellende toevoeging dat je ervaring ‘normaal’ is, is op zich al verdacht: een lege opmerking die gemaakt wordt om iemand te kalmeren. Volgens wiens standaard is een gebeurtenis ‘normaal’? Dat is een vraag die eigenlijk onder al Boogs gedichten sluimert. We streven ernaar een normaal leven te leiden, maar hoe verloopt bijvoorbeeld ‘normale’ communicatie? Ik zou een tiental schitterende gedichten uit deze bundel kunnen citeren die allen op scherpe wijze op deze vraag in gaan.

    Boogs woordkeuze is eerder sober dan lyrisch en soms lijken de titels wat zwaar op de hand of romantisch, zoals bijvoorbeeld: ‘Zie ontroerd op ons neer’, of de titel van het eerste deel: ‘En tuchtig ons’. Maar de zelfreflectie verraadt een ironie die ook deze soms bijna archaïsche zinsneden een zekere lichtheid geeft. Zie bijvoorbeeld het gedicht ‘Al dat streven’ waarvan de laatste twee strofes luiden:

    Al dat streven! Recht de tere nacht in.
    Die de tijd, en van de tijd het duren,
    mild beschimpt. Dit? Is dit het?
    De bedoeling, bedoel ik?

    Nee, niet dit. Je streelt de hand.
    Of toch. Je streelt de oude hand.

    Hier is een dichter aan het woord die groots en meeslepend wil leven, die wil zaaien, maar vooral oogsten, die met zijn geliefde wil versmelten, ontroering wil voelen bij de aanblik van een kind, wil genieten van strelingen en van haardvuur, maar hij wil dit alles net iets te graag. En, nog erger, hij is zich hiervan bewust. Het voornemen het leven in zijn volledigheid te ervaren, mislukt doordat hij er te nadrukkelijk mee bezig is.

    Dit bewustzijn spiegelt zich in Boogs filosofische blik op taal. Hoe langer we over elk afzonderlijk woord nadenken, zoals de dichter dat doorgaans doet, hoe meer de taal met de werkelijkheid wringt. Wie ervaringen in hun volheid wil beleven, moet ze eigenlijk niet in taal willen vangen. De bespiegeling op de verwoording schept onmiddellijk afstand en vervormt daarmee de directe waarneming. Boogs werk is van dit besef doordrongen. Hoe kun je beschrijven dat je in een moment opgaat? Misschien het best door er niets over te zeggen. Maar wat betekent dat? Wat betekent ‘niet’? Wat betekent ‘altijd’?

    Niet

    Elkaar dan niet te kennen,
    ineens. Of al heel lang: altijd.

    Niet, het gaat hier om niet.

    Sommigen zeggen dat dat,
    precies dat, het essentiële moment is,

    het moment ‘niet’,
    dat het daarom gaat.

    Maar dat is wat sommigen doen: praten,
    altijd maar praten.
    Muziek in een lift.
    Hadden ze gelijk, ze zouden zwijgen.

    Boogs puntige, korte regels maken voelbaar dat zwijgen wellicht zinvoller is dan spreken of schrijven. De regels zijn droog en bondig. Maar ook in die bondigheid sluimert een gemis. Leven blijft een streven dat noodzakelijkerwijs faalt en desondanks doorzet. Tot slot nog het korte gedicht ‘Portret’ dat dit mooi samenvat:

    Ik houd mij staande.
    Soms lukt het niet
    en val ik om.
    Maar dan sta ik weer op.

    We streven, mislukken en proberen opnieuw, we vallen en we staan weer op. Misschien is dat ook wel waar de titel Maar zingend op wijst: al het menselijke falen, er is geen ontsnappen aan, laten we in godsnaam dan toch maar blijven zingen!

    UitgeverCossee
    Jaartal2013
    RecensentJannah Loontjens
    Editie2013-1