Recensies

  • Door

    F. Starik
    Door

    De geur van vooruitgang

    Je hebt dichters die gebeurtenissen, ervaringen en gevoelens op een ongecompliceerde manier in taal omzetten. Zij koesteren een romantische opvatting: die van de persoonlijke expressie, met het oog op herkenning door de lezer. F. Starik is zo’n dichter. Hij verkent de grenzen van de taal niet en blijft binnen de traditionele kaders. Meer nog, hij verwerkt spreektalige elementen in zijn gedichten, typisch voor een dichter die zo sterk is op het podium. Moet je dan geen ruimte voor het onzegbare en onkenbare laten in je gedichten, door te laten zien dat de conventionele zegging op zo’n moment ontoereikend is? Het zijn vragen en bedenkingen die door mijn hoofd spoken wanneer ik Stariks gedichten lees. Maar telkens weer, sinds hij met zijn bundel Songloed (2007) zijn eigen stem en ritme gevonden heeft, moet ik me toch gewonnen geven. Ook nu weer, dankzij heel wat gedichten in zijn nieuwe bundel Door.

    De titel van zijn bundel wijst al op de grote dynamiek: er zit veel sterfelijkheid in de gedichten. Niet verwonderlijk voor de bezieler van de Eenzame Uitvaart. Maar in de bundel worden ook deuren opengezet, tussen leven en dood, tussen ernst en humor. Starik draagt zelf nog een andere verklaring voor de titel van zijn bundel aan, in de uitgebreide verantwoording bij zijn gedichten. Waarom moet een dichter zijn eigen werk verklaren? Maar Starik doet het op een frisse, speelse manier. In de ‘Verantwoording’ vertelt hij mooi hoe een modelgezin – vader, moeder, twee keurige kinderen – geen geschikte stek vindt aan de zuidkant van Schiermonnikoog, waarop de man kwaad tegen zijn vrouw zegt ‘Door, dit is geen strand!’ Het is een mooi beeld voor de manier waarop we allemaal onze plaats op deze aardkloot zoeken. En dat is precies waar het in deze bundel over gaat: plaatsbepalingen door een dichter-misantroop die, met aandacht voor het onopvallende, de werkelijkheid met verbazing – en niet zonder humor – onder woorden brengt. In alledaagse taal, in herkenbare beelden en motieven.

    Aan mijn verzuchtingen wordt in de eerste afdeling meteen gehoor gegeven: in ‘Script’ denkt Starik na over de betekenis van taal. Het gedicht ‘Cursus inburgeren’ laat zien hoe we vooral onderdak vinden in onze taal en hoe woorden ervoor zorgen dat je niet geïsoleerd geraakt: ‘in gedachten doe je alle deuren open,/ de deuren, waar je vergeefs voor hebt gestaan.’ ‘Hoger honing ‘ is een poëticaal gedicht waarin Starik laat zien waar hij thuishoort: ‘Ik vlieg, maar nergens heen./ Ik prijs mijn huis en zing.// Ik ben gewoon.’

    Starik toont zich hier en daar in zijn gedaante van gewezen stadsdichter, begaan met degenen die het minst aandacht krijgen. En hij doet aan introspectie, geeft dood en verderf een gezicht door vrienden of bekenden, zoals muzikant Moc Gravemaker en filosoof Raoul Teulings, te herdenken.

    In de afdeling ‘Moeder’ is de dreigende vergankelijkheid ook niet afwezig. Starik roept in het eerste gedicht een filmisch aandoende herinnering op aan zijn kindertijd, toen zijn vader er niets beter op vond dan de slee aan de trekhaak te hangen en zijn zoon op die manier met een rotvaart door de sneeuw te sleuren. Het beangstigde hem, maar hij vond het ook wel opwindend, tot ontzetting van zijn moeder:

    In haar ogen ging het veel te snel.
    Wat als je plotseling moet remmen?
    Kijk nou toch uit.
    Ik zag het wel maar hoorde niets,
    in kramp van angst verschrikt
    schoot ik hotsend tussen bomen door,
    snoof gretig uitlaatgassen op.

    De geur van vooruitgang,
    tot ik zag hoe moeder een hand
    naar haar mond bracht, alsof ze gaapt.

    Deze afdeling bevat trouwens de meest indringende gedichten uit de bundel, zoals ‘Stok’, waarin Starik beschrijft hoe zijn moeder een boompje plantte, ‘een vrolijke bloeier, geënt op een stammetje/ van amper een meter hoog.’ Ze knipte alle takken weg voor het boompje bloeide, omdat ze de stok zo netjes vond. In het leven van de dichter gaat het er anders aan toe. Hij bezit een gatenplant, waarvan de bladeren alle kanten op schieten. En hij bedenkt: ‘Nu zag ik in mijn moeders tuin precies de steun/ die ik mij droom.// De boom waarlangs mijn plant een jaar of wat/ rechtop kan staan, van een formaat dat mijn bezoeker/ net niet vraagt wat doet die stok toch in je kamer/ met dat kleine restje plant eraan.’ Het gedicht is een mooie metafoor voor twee verschillende manieren van in het leven staan en voor de mate waarin iedereen houvast in het leven zoekt. Het zou overdreven zijn om Stariks poëzieland gidsland te noemen, want daarvoor zijn zijn gedichten te kleurrijk, te veelkantig en bevatten ze te veel understatements. Maar toch zou je wensen dat zijn gedichten een heel ruim publiek kunnen bereiken, want daartoe zijn ze zeker in staat.

    UitgeverNieuw Amsterdam
    Jaartal2012
    RecensentPaul Demets
    Editie2013-1