Recensies

  • Huisverraad

    Mischa Andriessen
    Huisverraad

    De kunst van het verzwijgen

    Mischa Andriessen (1970) debuteerde in 2008 met de bundel Uitzien met D, een novelle-in-gedichten die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs. In stilistisch opzicht vormt Andriessens tweede bundel, Huisverraad, een voortzetting van zijn voorganger: ieder (proza)gedicht is een scène, vertelt een anekdote. De samenhang is losser, de bundel bestaat uit drie, duidelijk van elkaar te onderscheiden, afdelingen.

    De ‘intieme setting’ van het balkon boven de tuin met vijver uit het debuut wordt verlaten, en de ‘buitenwereld’ betreden: de wereld is niet langer klein en overzichtelijk, maar bedreigend en desoriënterend. Geborgenheid en beslotenheid hebben plaatsgemaakt voor onzekerheid, onveiligheid en vervreemding.

    Andriessen heeft de kunst van het verzwijgen (die hij in zijn debuut al beheerste) tot het uiterste doorgevoerd. De lezer ‘ziet’ slechts ‘de situatie’, maar blijft verstoken van de achtergrond, de voorgeschiedenis – hij verkeert in de positie van een geschiedschrijver die een historische gebeurtenis probeert te reconstrueren, of een rechercheur die de ware toedracht van een misdaad tracht te achterhalen. De aanwijzingen zijn echter niet toereikend om een sluitend, of zelfs maar plausibel, ‘totaalverhaal’ te schetsen. De lacunes zijn te groot om in te vullen, er is te weinig bekend om zelfs maar te kunnen speculeren – dit maakt het lezen van deze poëzie zowel tot een buitengewoon intrigerende als een frustrerende exercitie.

    In de eerste afdeling is er sprake van grootschalige overstromingen: hele steden staan blank. Iemand peddelt in een kajak door een ondergelopen straat. Is er sprake van een tsunami, of een apocalyptisch beeld? Dat wordt niet helder. Er wordt slechts op gezinspeeld dat het land is geteisterd door maandenlange stortbuien.

    In de tweede afdeling werpt een ‘ik’ zich op als leider van een groep verdwaalde jongens, in een onbestemd sneeuwlandschap. De jongens tarten en beledigen elkaar voortdurend, en gaan zelfs met elkaar op de vuist, slaan elkaar met stokken. Ze vormen een verbond ‘tegen wil en dank’, brengen zonderlinge rituelen ten uitvoer – om grip te krijgen op de bedreigende, vreemde omgeving.

    Toch houden deze eerste twee afdelingen voor mij iets lukraaks en willekeurigs. Alsof een cineast zijn filmmateriaal heeft versneden en ons enkel een aantal losse scènes toont. Zonder achtergrond, diepere samenhang, of context. Er is nauwelijks betekenis aan toe te kennen.

    De derde afdeling is verreweg het sterkst. Ook hier zijn de gebeurtenissen schimmig, maar hier is dat op zijn plaats, gemotiveerd. Twee broertjes worden opgehaald, en weggevoerd in een wagen. Een man wordt met zijn zoon meegenomen door gehandschoende mannen met honden. Een vader wordt thuis opgewacht door rokende mannen, en weggeleid. Deze afdeling wordt voorafgegaan door een motto van János Pilinszky: ‘Alles stolt tot stilte en nabijheid.’ Pilinszky was een Hongaars dichter, die in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog als krijgsgevangene in Duitse concentratiekampen (o.a. Ravensbrück) verbleef. Deze homoseksuele dichter heeft de nazistische terreur en vervolging dus aan den lijve ondervonden. Hier wérken de ‘onscherpe’ scènes, de ‘verduisterde’ toedracht, het ontbreken van een achtergrond, het (ver)zwijgen. De ‘agenten’ van een schrikbewind opereren immers schimmig, heimelijk, ‘in nacht en nevel’. Dat maakt deze afdeling zo beklemmend – de spanning is bijna tastbaar, en toch blijft de dreiging onbestemd, krijgt zij geen gezicht. En dat maakt deze vervolgers ook tot archetypen. Natúúrlijk, de lezer herkent in de mannen met (ongetwijfeld zwartleren) handschoenen en honden (ongetwijfeld Duitse herders) agenten van de Gestapo, nazi’s, maar evengoed kunnen het hun handlangers, de Hongaarse Pijlkruisers, zijn, of KGB’ers, de agenten van de nieuwe onderdrukkende en bezettende macht: de Sovjet-Unie. De diffuse trekken van de vervolgers zijn in overeenstemming met de historische werkelijkheid, voegen toe aan hun beangstigende, ongrijpbare, alomtegenwoordige aspect, en maken hen universeel. In deze afdeling komt het ‘schimmige’ voort uit noodzaak.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2012
    RecensentWillem Thies
    Editie2013-1