Recensies

  • De optocht

    Toon Tellegen
    De optocht

    Pats!

    ‘De optocht’. Het klinkt feestelijk: verklede mensen die zwaaiend en lachend, begeleid door muziek door de straten trekken. Carnaval, corso, fanfare, majorettes, dat soort dingen. De optocht van Toon Tellegen is allesbehalve een vrolijke aangelegenheid. De dichter schildert in zijn eenentwintigste bundel een gruwelijk portret van skeletten, althans: van wezens die dat zeer binnenkort zullen zijn. In niet minder dan 78 pagina’s prozagedichten trekt een stoet van gedoemden voorbij, allen op weg naar het onvermijdelijke einde.

    ‘Kijk, daar komen mensen aan.’ Zo begint de bundel. ‘Ze denken dat er geen muren zijn, geen valkuilen, geen dodelijke omhelzingen op het midden van onze weg.’ En voor je goed en wel begonnen bent: ‘Pats!’ Dit woord zal nog ruim 200 keer genoemd worden en is het geluid van een vliegenmepper, zeis, valbijl, you name it. In de stiltes ertussen schetst Tellegen een portret van de mens. Een genadeloos portret.

    Al na enkele pagina’s begrijp je dat de soort voor het overgrote deel bestaat uit verschrikkelijke wezens waar weinig vriendelijks over valt te zeggen. Dat wisten we al, maar in Tellegens geweldige taal wordt elk walgelijk detail nog eens extra in het zonnetje gezet:

    ‘En daar komen zij die zich afzonderen en hun meningen voor zich houden, kleine huisdieren in het donker mishandelen en op broeierige avonden zichzelf verwennen met afgunst en vastberadenheid, kijk, ze lijken zich weer gereed te maken iemand een genadeklap te geven, het liefst terloops en ogenschijnlijk ongewild, ze kijken om zich heen, zoeken een willig slachtoffer, likken hun hebberige lippen af, krabben in hun vreugdeloze kruis en zien geen hond over het hoofd, de laffe lakeien van de apathie.’

    De dichter wisselt deze ministudies van een bepaald type – de hebzuchtigen, de gelovigen, de hedonisten, de machtswellustelingen – af met louter opsommingen van een bepaalde ‘soort’: ‘de behaagzieken, de schadeplichtigen, de schijnbaar misdeelden, de onmiskenbaar beklagenswaardigen, de stelselmatig oververtegenwoordigden, de kleurloze ondergeschovenen – enzovoorts. De adjectieven zorgen voor nog meer detail, alsof Tellegen zo secuur mogelijk wil zijn in de afbakening van zijn menstypen: een misdeelde is heel wat anders dan een schijnbaar misdeelde, een kleurloze ondergeschovene is nog treuriger dan een ondergeschovene. Op andere momenten zoekt Tellegen het onderscheid in poëtischer details. Het levert mooie, echte Tellegen-zinnetjes op als ‘Daar gaan de gekwelden en gekwetsten, de doodzieke CEO’s glurend naar hun slanke, naar juni, juli en soms naar eind december geurende secretaresses met hun rode nagels, hun hoogblauwe mascara, hun Chanel Coco Mademoiselle...’ Het lijkt alsof Tellegen met die wiskundige precisie in de beschrijvingen wil laten zien dat werkelijk niemand, hoe goed je je ook probeert te verstoppen in het detail, ontkomt aan de Grote Mepper: Pats!

    Soms verlaat de dichter het grote tableau, de getallen en groeperingen en zoomt hij in op de enkeling, of eigenlijk een Elkerlijck, die iedereen kan zijn, ‘een man zonder achtergrond, een man an sich, onbemind, onbekend en ongelijk voor elke wet’. Of hij richt zijn blik plotseling op een enkele, schuchtere jongen die ‘het één keer gedaan wil hebben, desnoods niet helemaal!’ Het zijn welkome onderbrekingen van de opsomming van abstracte karakters, en in die onderbrekingen weet Tellegen vaak te ontroeren. En heel af en toe is er ook sprake van een ‘ik’, maar die verdrinkt al snel in het tumult van de optocht. Hij wil even stilstaan om rustig om zich heen te kijken, maar de stoet moet door, altijd door. Hoewel: op een zeker moment lijkt het gedaan met de optocht en treedt er een diepe stilte in die er moet zijn geweest voor de aanvang der dingen: ‘hier is het allemaal om begonnen: niemand meer, geen inzichten meer, geen beweegredenen, geen gewetensbezwaren, geen begrip...’ Maar nadat Tellegen drie pagina’s lang heeft beschreven wat er allemaal niet meer is, klinkt toch weer het ‘Pats!’ en gaat de optocht door.

    En daar word je op een gegeven moment toch moe van. Natuurlijk, een optocht is in wezen oneindig: maak een begin en je kunt doorgaan zolang als je wilt. Dat doet Tellegen dan ook. Maar die voortdurend sprankelende taal vol originele, spitsvondige metaforen; de tientallen adjectieven; de opsommingen en de beschrijvingen van de talloze stervelingen bijten zichzelf in de staart; op een gegeven moment lees je niet meer wat er staat en vertaal je al die virtuositeit niet meer in een concreet beeld.

    Toch komt er een natuurlijk einde aan de tocht, wanneer ook het aller onschuldigste en kleinste het moet ontgelden. Tegen die tijd hap je naar adem door al het taalgeweld en alle glorie en stank van de volledige mensheid die Tellegen over je heeft uitgestort. Een buitengewone reis, kortom, om in korte etappes tot je te nemen.

    UitgeverQuerido
    Jaartal2012
    RecensentJasper Henderson
    Editie2013-1