Recensies

  • Laten we mijn lichaam delen

    Iris Brunia
    Laten we mijn lichaam delen

    Stapels

    Als u deze recensie leest is bekend wie de winnaar is van de Buddingh’-prijs 2013. Ik denk dat dat Bernke Klein Zandvoort is. Het waarom staat elders in dit nummer van Awater. Kira Wuck kon hem niet winnen, omdat wat ze maakt weliswaar best geestig is, maar al eerder en beter is gedaan door Erik Jan Harmens. De bundel van Henk Ester heb ik niet gelezen, dus dat scheelt, en Iris Brunia heeft hem ook niet gewonnen. Daar is een duidelijke reden voor: ook zij moet het hebben van verrassende observaties (welke dichter niet, eigenlijk?) en cryptische statements (‘Aan jouw gezicht ontleende ik mijn oprechtheid’), maar het grote verschil met Klein Zandvoort is dat de laatste erin is geslaagd om a) een echt interessant wereldbeeld te presenteren en b) dat doet in coherente, soepele gedichten waarin je toch telkens het mysterie voelt gloeien.

    ‘Ze excelleert in vreemde wendingen die nergens gekunsteld zijn,’ staat er in goed Achterflaps op de achterflap van Laten we mijn lichaam delen. Het eerste deel van de zin is waar, het tweede niet. Brunia is van de stapelmethode, iets waar Alfred Schaffer bijvoorbeeld erg goed in is: het op en naast elkaar leggen van sterk contrasterende beelden, flarden conversatie, statements. Daartussen schuurt het, doemt er een idee op, een gemoedsgesteldheid, het eerder genoemde geheim. Maar bij Brunia heb ik na lezing van elk gedicht het gevoel naar een opeenhoping van mooie beelden te hebben gekeken (‘Ik hou een haan ondersteboven/dwing je zijn veren uit te trekken’), maar niet kan zien tot wat die stapel zich nou precies heeft gevormd. Alsof je een roman van Arnon Grunberg leest: de hoeveelheid (geslaagde) oneliners ontneemt het zicht op het verhaal. Meer schrappen, meer doseren, daar wordt alles beter van.

    UitgeverHarmonie
    Jaartal2013
    RecensentJasper Henderson
    Editie2013-2