Recensies

  • Uitzicht genoeg

    Marjoleine de Vos
    Uitzicht genoeg

    Wat je zoekt is hier

    Nonchalant in een motorbootje zittend, bemodderlaarsd in de verte turend tooit Marjoleine de Vos het achterflap van haar nieuwe bundel Uitzicht genoeg. Zo’n foto is een statement, waarvan in de bundel al gauw de invulling te vinden is, in gedichten met titels als ‘Lente in Groningen’, ‘Aanzie de vogels’ en ‘Appelgroen’: naar buiten! Daar is het te vinden! ‘Hoor! de appel roept! Wil zij geraapt’ – zo opent een van de gedichten met een ietwat kokette vervrouwelijking van de appel.

    Marjoleine de Vos schrijft vrij metrische gedichten, maar het ritme is nergens geforceerd. Soms glijdt het, soms geeft het ritme de zin duwtjes, soms werkt het contrapuntisch, vooral in enjambementen. In combinatie met andere stijlmiddelen, zoals ellipsen (‘Waar zou je heen?), personificaties en synesthesieën (de spreeuw heeft ‘spikkels luidkeels op zijn borst’), is er van alles te beleven in haar zinnen.

    In toon en middelen doet haar werk denken aan dat van Rutger Kopland, naar wie ze in Uitzicht genoeg ook expliciet verwijst: ‘Je leest dat weggaan een vorm is/ van blijven, want niemand wacht.’ Beiden beoefenen een denkerige parlando-poëzie, beiden beschrijven inzichten die ze door kijken naar de natuur hebben opgedaan.

    Uitzicht genoeg wekt de indruk een verslag te zijn van een zoektocht naar inzicht, en uiteindelijk naar de zin van het leven.

    Het leven is geen reis. We gaan niet ergens heen,
    maar terug naar niets

    Het besef van een ontbreken van een einddoel in het leven, dat ook spreekt uit een zin als: ‘Zoals een wandeling geen doel heeft maar wel richting kiest’ leidt tot het inzicht dat de betekenisgeving van het leven in het nu moet worden gezocht: ‘Elk paradijs is al voorbij [...] maar ’t echte feest is altijd nu’. Wederom is het de natuur en de nabijheid die hierbij helpen:

    Voel warmte op je neus, zie ‘t vroege blad
    van vlier. Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier.

    Hoewel deze observaties niet nieuw zijn, krijgen ze door het metrum een zetje qua overtuigingskracht, in oneliners als: ‘Nu eeuwig niet bestaat, is uitzicht al genoeg’. Soms is de moraal op het belerende af, zoals in: ‘Geef heimwee naar de toekomst/ dus geen kans, je bent er immers al’, of in de waarschuwing ‘Pas op, bestemming is een toverwoord, dat achteloos vermoordt het ongekende dat je overkomt’

    Toch is er ook nog veel ‘binnen’ te vinden in deze bundel, waarin een briesje je als het ware toewaait tussen de koolmezen, de katjes en de sneeuwklokjes. Zo blijken de koolmezen ‘schiet in ’t vuur’ te zeggen, las De Vos bij Jac P. Thijsse. Ze vond meer inspiratie in boeken. Niet al te verrassende klassieke personages als Odysseus, Persefone, Dido en Aeneas komen voorbij en de bundel bevat ook een ‘aanvulling’ voor het Gilgamesj-epos.

    Het eigenaardige van de poëzie van Marjoleine de Vos is dat deze voor mij altijd iets onberispelijks heeft. Er is werkelijk niets op aan te merken, zo lijkt het, alles wat je je zou kunnen wensen zit erin: een aantrekkelijk ritme, beelden, stijlfiguren, denkinzichten, en het werk staat niet los van de wereld, niet los van de natuur, niet van de literatuur. En toch weet het me nooit werkelijk mee te slepen, te treffen, te verrassen of desnoods te irriteren. Misschien komt het wel door het ontbreken van wat in de openingszin van het gedicht ‘Voorwaarden waaraan een gedicht moet voldoen’ van Toon Tellegen wordt benoemd:

    Het moet pijnlijk zijn:
    altijd, hoe dan ook.
    Ik moet het er nooit mee eens zijn.

    UitgeverVan Oorschot
    Jaartal2013
    RecensentKiki Coumans
    Editie2013-2