Recensies

  • Waarvan akte

    Onno Kosters
    Waarvan akte

    Bijna alles mag

    Waarvan akte, de titel van Onno Kosters jongste bundel, klinkt nogal dorknoper-achtig maar dat moet ironisch bedoeld zijn want bureaucratisch en kleingeestig is deze bundel allerminst. Integendeel, Kosters pakt de zaken groots en veelomvattend aan. De Nederlandse poëzie is in het algemeen de laatste jaren weer nogal kleinschalig, ingetogen en egocentrisch geraakt maar Kosters doet daar niet aan mee. Hij orïenteert zich, ik zou bijna zeggen schaamteloos, op grote gebeurtenissen, grote gevoelens, brede gebaren. De eerste regels van het gedicht ‘Aphrodite’ zouden als motto kunnen gelden: ‘Het is oorlog, liefde/ Bijna alles mag’. En het direct daarop volgende gedicht ‘Mijn weg naar Florence’ gaat in dezelfde trant verder: ‘De onderneming is te hoog gegrepen/ vereist zijn liefde en zelfoverschatting/ moed en onnozelheid.’ Haast verouderde eigenschappen, door Kosters nieuw leven ingeblazen, en zo staat hij in ‘geen dagje aan het strand’ vierentwintig strofen lang groots en meeslepend aan de immense zee of schrijft rustig een gedicht ‘Et in Arcadia ego’, over klein en jeugdig leven in de Achterhoek dat niettemin gelukkig en gezegend aanvoelt. Alles alsof er niets op hem drukt. Je zou het in zekere zin naïef kunnen noemen, maar dan in de zin van onbevangen: niets houdt hem tegen. Dit is een energieke dichter, vol zelfvertrouwen.



    Ik lees zijn gedichten met lichte scepsis maar toch ook met een glimlach van herkenning; grote, enthousiaste dichters als Pablo Neruda of Octavio Paz hebben zo te zien niet voor niks geleefd:

    Ik heb gedroomd, maar was het wel een droom:
    de zon was uit, de sterren zwierven dof
    
en doods door het oneindige heelal,

    geen richting kenden zij en zonder maan
    bewoog de koude aarde blind en zwart;
    al brak de ochtend aan, nooit werd het dag,
    de medemenselijkheid ging teloor
    
in ieders angst om eigen lot

     
    Aldus begint het gedicht ‘Duisternis’ en het verraadt zowel menselijke bekommernis als kosmisch besef, twee zaken waar het in de vaderlandse dichtkunst nogal eens aan ontbreekt. Kosters identificeert zich zo te zien graag en zonder gêne met Prometheus, iemand die vooruitloopt ondanks het risico dat hij door anderen niet begrepen wordt. Hij wijdt een gedicht aan die mythische figuur en memoreert hem ook elders: ‘Vaarwel mijn vooruitsnellende voorgangers/ die ik achter mij te laten dacht.’ Ik vind die energieke, enigszins megalomane houding wel grappig en bijzonder, maar ze maakt deze poëzie ook kwetsbaar: Kosters is een luide maar ook een tamelijk ongenuanceerde spreker. Hij doet me daarin, behalve aan die grote ronkende buitenlanders, ook denken aan Marsman met zijn zelfverklaarde vitalisme. Op de achterflap lees ik dat deze poëzie de actualiteit, van klimaatcrisis tot terrorisme, niet schuwt, maar dan toch zonder echt geëngageerd te zijn, het zijn voor de dichter eerder pittige inspiratiebronnen dan echt verontrustende ontwikkelingen. Het gedicht ‘Voltooid leven’, alweer over zo’n lekker actueel onderwerp, is karakteristiek, levendig en onbetrokken met regels als ‘Het is hier een vrouwendomein/ een overdekte luchtplaats/ speciaal voor hen// die steeds voltooider overblijven’, nee, Kosters is eerder een woordkunstenaar dan een empathicus. Ik ben benieuwd welke kant zijn dichtkunst de komende tijd opgaat. Die andere megalomane dichter, Ilja Leonard Pfeiffer, toont zich de laatste jaren naar het schijnt echt met het lot van de wereld begaan, zal zoiets Kosters ook overkomen?

    ‘Als dit is wat ik achterlaat, dan is het welgedaan’ luidt de laatste regel in Waarvan akte, maar dat klinkt me toch net iets te zelfvoldaan. Ik denk dat er met zijn poëtische energie nog wel wat te winnen valt.

    UitgeverAtlas Contact
    Jaartal2018
    RecensentRob Schouten
    Editie2019-1