Recensies

  • Papieren veulens

    Hanneke van Eijken
    Papieren veulens

    Dingen die waar zijn

    ‘Laten we beginnen’. Zo luiden de eerste drie woorden van het debuut van Hanneke van Eijken (1981), Papieren veulens. Een feestelijk begin voor een debuut (ik stel me er een zaaltje bij voor, voor aanvang van de voorstelling, we hebben het welkomstdrankje nog in de hand en worden op de schouder getikt door een vrolijke dame: ‘Laten we beginnen!’) De regel loopt door:

    Laten we beginnen, zei hij
    dingen te noemen die waar zijn

    Hanneke van Eijken heeft al op vrijwel alle grote literaire podia gestaan en publiceerde haar gedichten in diverse literaire tijdschriften. Daarnaast is ze jurist, wat misschien ook het belang verklaart dat ze hecht aan ‘dingen die waar zijn’. Na deze regels volgt een opsomming van onderwerpen die we later in de bundel ook tegen zullen komen: steden, huizen, haaien, ruggengraten. Onderwerpen die allemaal nogal subjectief worden beschreven en dus allerminst ‘waar’ zijn. Het openingsgedicht eindigt, lijkt me, programmatisch:

    soms kijk ik hoe planten groeien
    soms laat ik een raam openstaan voor als
    iets wil vliegen

    De taal is zo dagelijks als de openingsregel – en even monter en licht. Al te licht eigenlijk: de beschrijvingen uit de eerste afdeling, ‘Ook steden hebben water nodig’, lijken vooral te mikken op de snelle glimlach. Zo leidt de gedachte dat terroristen niet van katten houden tot een visioen waarbij de beveiliging op luchthavens bestaat uit een rode kater op de balie: ‘kijken wie er aait’. Een grappige gedachte, en ook wel lief, maar toch vooral wereldvreemd. Meer dan het geinige beeld oproepen wilde ze kennelijk niet, misschien als relativering van het terrorisme of de angst daarvoor? Bij haar beschrijvingen van God (als een man op de wolken die een archipel schept door de eilanden als knikkers in de oceaan te strooien) neigt haar poëzie wel erg naar het kinderachtige.

    Maar zo licht blijft het niet. De bundel zoomt steeds verder in: dus na de stad het huis, na het huis de kamer, en na de kamer de ‘ik’ – die tenslotte haar huid afpelt:

    Een lichaam is vooral weefsel dat zich herhaalt
    ik vond binnenin warme stenen
    lava en fossielen van reuzenslakken
    botjes van een staart

    Daarna wordt afgesloten met een nieuw begin.

    Onderweg beginnen de beelden wat meer te wringen en benoemt Van Eijken een aantal angsten (‘ik verzamel manieren om niet te sterven’). De lichte, onbekommerde toon blijft. Dat werkt heel goed in de meer aandoenlijke gedichten, zoals bijvoorbeeld het gedicht waar de bundel zijn titel aan heeft ontleend (‘schuilen als papieren veulens voor natte sneeuw’). In andere gedichten is die toon pijnlijk misplaatst, zoals in ‘Bijeenkomst’, waarin vanuit het ik-
    perspectief wordt beschreven hoe een meisje een graf in de tuin graaft, haar beste jurk aantrekt en op bed gaat liggen – kennelijk om zelfmoord te plegen:

    het is nu alleen een kwestie van gaan liggen
    de lippen losjes tuiten, de benen vouwen
    als linnen servetten, wachten
    tot ik gevonden word.

    Dit gedicht laat duidelijk de spagaat zien waar de dichter, en met haar de recensent, in terecht is gekomen. Ik kan bijvoorbeeld zeggen dat Van Eijken zware onderwerpen op een lichte manier weet te behandelen en daar zou niets aan gelogen zijn. Maar ik heb de indruk dat de lichte toon ten koste is gegaan van de zeggingskracht. Het afpellen van de huid doet Van Eijken in de dichtregels, en kennelijk alléén daar. Als er in deze bundel al sprake is van zelfonderzoek, dan heeft dat nog niet zoveel opgeleverd. Dat komt dan wellicht in haar volgende bundel.

    UitgeverPrometheus
    Jaartal2013
    RecensentEdwin Fagel
    Editie2013-2