Recensies

  • Oever drinkt oever

    B. Zwaal
    Oever drinkt oever

    Een bundel om met lieslaarzen aan in te stappen

    Gerrit Komrij noemt in een van zijn essaybundels een gedicht van Vasalis het ‘natste in de Nederlandse literatuur’. Er zijn in dat gedicht verschillende soorten water vertegenwoordigd: tranen, condens, badwater, neerslag etc. En in overvloed. Deze typering is een Komrijeske vondst die navolging verdient. We zouden bijvoorbeeld de ‘stervigste’ poëzie wel kunnen noemen, de poëzie waarin het meest gestorven wordt, of over sterven nagedacht. (F. Starik? J.C. Bloem?) En er moet in de Noord-Afrikaanse poëzie wel een ‘droogst’ gedicht bestaan, in de Inuit-dichtkust een ‘koudst’ epos.

    De bundel oever drinkt oever van B. Zwaal komt op zijn beurt wel in aanmerking voor het epitheton ‘natste’ bundel. De titel is in zijn drievoudigheid al een zich herhalende natheid. De oever en de oever zijn droog, maar daartussen moet zich al het water wel bevinden. Oever betekent immers: daar waar het water ophoudt. Twee keer oever is een intense definitie van water. En dan een oever die drinkt: water in zich opneemt, en daarmee zijn functie van ‘beperking stellend aan het water’ ontkracht, oever drink oever is een dubbele dijkdoorbraak in drie woorden. Dat is dus wel de natste bundeltitel.

    B. Zwaal schreef negen eerdere bundels waarin het water een terugkerend motief is. Zwaals taal is precies, voluptueus in wendbaarheid en zeggingskracht. In zes reeksen voert Zwaal een aanval uit op de snellezerij, de eenduidigheid, het lekkere verhaal. Hoewel zijn samenvattende kracht toch ook soms aanzienlijk is:

    ijstijd
    vat kou
    keelbrokt

    kei
    bonkt
    stuwt zand voort

    heuvelt
    toekomst van vastgoed
    bosruggen

    heidenen spanden
    koepelgraven

    christenen razen
    op meubelboulevards

    heidewind rustte
    op koepelgewelf

    lepelt de mall
    ijsheidevruchten.

    Er zijn handboeken vaderlandse geschiedenis die er meer woorden aan vuil maken. Een intens versnelde film is dit gedicht, een Philip Glass-achtige Koyaanisqatsiervaring, de film uit 1982 die op minimal music versnelde beelden levert en zo een – vreemd genoeg – verstild effect teweegbrengt. Beelden van beweging die ten langen leste onveranderlijkheid weergeven.

    Als we bij de ijsheidevruchten zijn aangekomen in de laatste regel, is de ijstijd van het begin nog helemaal niet voorbij. De koepelgraven, meubelboulevards en gewelven ontlopen elkaar niet zoveel.

    Zwaal hanteert een eigen mengsel van archaïserend taalgebruik en nieuw gemaakte woorden. Hij lijkt ook in die wijze van aaneenklinken van oud en zeer nieuw continuïteit af te willen dwingen. Woorden als ‘wantij’, ‘verwulf’, ‘zundgat’ ‘schaamslot’ ‘zonzeeg’ ‘hemelricke’ ‘bilgewater’ heb ik wel even moeten opzoeken. En wanneer ‘vuurmonden de amer crosten en op de lacrimaestee belanden’ verliest Zwaal de regie en wordt de dichter een puzzelaar. Dat heeft Zwaal niet nodig, want een mooie evenwichtige dosering van oude en kakelnieuwe taal doet heel goed wat deze dichter lijkt te willen: bijeenrapen wat uiteengeslagen is, intensiveren van wat afgesleten is, terug naar wat echt te voelen is zonder melancholiek te worden. Zie daar de tastbare kracht van Zwaal.

    het water is woest wijl
    zij rokken sloot
    vernuft bewaarde

    de grommen van het water
    de loden lust in wantij

    de aftocht van het water
    sloopt haar rokken
    verwulf bewaarster

    Dit gedicht vormt met het erop volgende de opening van de tweede reeks en is een opvallend voorbeeld heel wonderlijke betekenisverschuivingen. ‘Rok’, een woord dat al sinds 1236 in onze taal ronddartelt, is naast de bekendere betekenis eveneens ‘een omhulsel van klei om buizen’. Een waterkering kan rokken sluiten als we aan de vorm ervan denken en ‘vernuft bewaren’ door het achterland van watersnood te vrijwaren. Een vrouw kan rokken sluiten en haar hoofd erbij houden. Loden lust sluit daar bij aan, en de ‘verwulf bewaarster’, is dat een gewelfde sluis, die het land bewaart, of is dat de ‘onderrokse ruimte’? In het tweede gedicht wordt deze meerduidigheid nog verder uitgebuit.

    de hemel is rukwind
    bolt het dek op

    bloosblank
    zachte zoetlip

    zoenige benen
    onder rijmrok

    oor komt
    ter schelpe

    het wemelt

    Zwaal klinkt in deze twee betrekkelijk korte gedichten werelden van betekenis aaneen zonder daar heel ingewikkeld over te doen. Een rok is in deze twee gedichten, rok, schelp, sluis, vorm. Tel uit je taalwinst. Voor ‘zoenige benen onder rijmrok’ mag Zwaal wel een dichtprijsje krijgen.

    oever drinkt over trekt de lezer met lieslaarzen de grensgebieden van water en land in. Dat is de grensstreek waarop het Nederlands land en bij uitbreiding de taal veroverd werd op het water. Het is droogleggen, deze bundel lezen, vechten met een woordenvloed die golft van de verwijzingen – waarin de lezer een enkele keer kopje onder gaat. Of – eerlijk is eerlijk – mismoedig raakt: ‘de dekker te schaken naar hemelkuil heilssop, gatig van boete’. En natuurlijk kan de lezer ook daar zijn Van Dale op loslaten, maar taal is ook in poëzie een afspraak over navolgbaarheid. Zwaal verliest dat gelukkig niet al te vaak uit het oog. Frequenter loeit, klotst en stoot zijn taal aantrekkelijk buigzaam, vloeibaar tegen de oevers van zijn eigen bundel aan.

    UitgeverWereldbibliotheek
    Jaartal2013
    RecensentMenno Hartman
    Editie2013-2