Recensies

  • Leegstand

    Jan Vanriet
    Leegstand

    De herinnering blijft, maar is niet wat het was

    Een meisje van een jaar of acht op een schommel. Ze komt op me af en heeft juist het hoogste punt bereikt. Ik zie het beeld, maar het portret van Jan Vanriet laat welbeschouwd niet meer zien dan een donkere vlek. Zorgvuldig heeft hij de omtrek van het kind met zwarte verf opgevuld. Het resultaat: een zwarte vlek waarin een gat het schommelende meisje suggereert.

    Leegstand, de meest recente dichtbundel van de in Antwerpen geboren dichter en kunstschilder Jan Vanriet, bestaat uit vier delen, die elk weer bestaan uit een serie getitelde of genummerde gedichten waarin een veelheid aan personen de revue passeert. Vanriet springt in de bundel spaarzaam om met rijm en ritme. Regelafbrekingen worden voornamelijk gedicteerd door de lengte van de zinsdelen. Een uitzondering vormt het laatste hoofdstuk, een hommage aan Leonard Nolens die meerdere pagina’s beslaat en waarin ‘de dood’ een terugkerend begin van de dichtregels is.

    De gedichten in Leegstand bevatten soms zinnen die vrij eenduidig zijn. ‘Er was de volle maan/ we waren jong, dronken dubbele whisky/ rookten sigaartjes’, schrijft Vanriet in een herinnering aan een zekere Guido. Zo kabbelt het gedicht, ‘My funny Valentine’ citerend, melancholisch voort tot de dichter verwijst naar iets dat blijvend is. Vanriet vergelijkt de ‘hoge maan’ met ‘een schitterende tijger/ tijger in de nacht’. Er wordt gebroken met de terloopse schrijfstijl. En de opmerkelijke beeldspraak wordt geaccentueerd met een herhaling. Het gedicht lijkt een herinnering te zijn die weinig meer is dan een herinnering. Maar wie de bladzijde omslaat ziet nog altijd in het bos van zijn of haar gedachten die ‘tijger/ tijger in de nacht’.

    Een marskramer, een oude generaal en de zwarte linksbuiten: het zijn enkele van de personen die in het tweede deel de revue passeren. De passanten worden door Vanriet geschetst en raken uit het oog voordat we ze als lezer hebben kunnen leren kennen. De afstand waar de antropoloog mee kampt wordt een enkele keer overwonnen, wanneer de dichter de wij-vorm gebruikt. ‘We wachten af/ tot we het licht/ achter de luiken sluiten’, schrijft Vanriet bijvoorbeeld. Die enkele momenten van contact blijven bij wanneer je even verderop het einde van de cyclus bereikt.

    ‘Het is niet/ wat het is’, luidt de slotstrofe. “Ceci n’est pas une pipe,” denk ik dan. “Precies. Maar wat is het dan wel?” Het is iets. Maar het is niet. Het is niet wat het is. Dat zijn drie conclusies die je uit die laatste strofe zou kunnen distilleren door wat met de zinsdelen te schuiven. Datgene wat er is, vergaat al snel en is niet meer. Het is daarmee niet langer wat het was. Het is een herinnering geworden. Die herinnering is onvergankelijk, maar is niet meer wat het was. Deze tragische grondtoon speelt in de meeste gedichten van Vanriet op de achtergrond.

    Het thema speelt een belangrijke rol in een gedicht over het ooit immens populaire Duitse popidool Rex Gildo. Gildo overleed in 1999 na een coma door een mislukte zelfmoordsprong. Volgens society verslaggever Henk van der Meijden omdat de zanger niet tegen de vergankelijkheid van zijn roem kon. Vanriet portretteert Gildo als messias, iemand die ‘de weg en het leven is’, maar die uiteindelijk niet over water blijkt te kunnen lopen en ‘verdwijnt/ in de golven/ van een genopte oceaan// het springkastee / van de slappe lach’.

    Aandacht kijkend, met de ogen van een schilder, schrijft Vanriet sobere gedichten, vol kleine beelden – geen portretten, maar schetsen zijn het. Schetsen van mensen die voorbijgaan. Mensen als het meisje op de schommel. We leren ze niet kennen. Ze blijven leeg van binnen. Maar we hebben ze gezien.

    UitgeverDe Bezige Bij
    Jaartal2012
    RecensentPim te Bokkel
    Editie2013-2