Recensies

  • Jaja de oerknal

    Maria Barnas
    Jaja de oerknal

    Ik is een vlag

    Maria Barnas is een kunstenaar die haar observatievermogen en creativiteit breed gebruikt: als beeldend kunstenaar, als auteur van proza en poëzie, en in beschouwingen over kunst. Barnas’ werk intrigeert door de scherpe waarneming van de buitenen binnenwereld. Ook in haar ‘observaties over kunst en werkelijkheid’ in de columns die ze jarenlang voor NRC Handelsblad schreef (gebundeld in Fantastisch uit 2010), geeft ze blijk van een boeiende manier van kijken, en een groot talent voor het treffend weergeven van wat ze ziet en denkt. Barnas kan veel zeggen door de manier waaróp ze het zegt.

    Dit ‘veel zeggen’ komt onder meer door een meerduidigheid die ze oproept door zinnen een ambigu verloop te geven. Dat leidt vaak tot een lichte desoriëntatie tijdens het lezen, die ook in haar nieuwe bundel, Jaja de oerknal, regelmatig voorkomt. Een voorbeeld hiervan is:

    Wanneer het grijs wordt

    en haast licht hapert aan de horizon een naam

    De lezer verliest zijn houvast door ambigue woorden als ‘haast’ en ‘licht’, die zowel een zelfstandig naamwoord als een bijwoord of bijvoeglijk naamwoord kunnen zijn. Een vergelijkbaar even-in-het-duistertasten overkomt de lezer bij een zin als deze:

    Het meisje klemt een boek
    dat doorsneden van hersenen toont op schoot

    Hierin lijkt het woord ‘doorsneden van’ eventjes een pad als werkwoord (voltooid deelwoord) te gaan volgen: het boek lijkt doorsneden te zijn van iets; maar ontpopt zich dan als een zelfstandig naamwoord. Een kort en ogenschijnlijk helder, geïsoleerd zinnetje als ‘In dit licht dacht ik’ weet ons enigszins licht in het hoofd te maken: we weten even niet wat we zélf denken, wat we nu precies lezen.

    Het is soms als lopen in een doolhof, of in ieder geval een ruimte die je niet kunt overzien: ineens word je een hoek om geleid, of je loopt even een gangetje in dat niet de bedoeling bleek te zijn – of juist wél. De ene lezer zal zich graag laten verrassen en zich met plezier even uit de eenduidige werkelijkheid laten tillen, de ander zal hier misschien van in de war raken of zich ergeren terwijl hij tussen twee betekenissen bungelt in de licht ontsporende zinnen.

    De titel van haar nieuwe bundel, Jaja de oerknal, past goed bij wat je met enige kwade wil ‘lekker gekke titels’ kunt noemen, die de laatste twee decennia van tijd tot tijd opduiken (en vooral van vrouwelijke dichters afkomstig lijken te zijn), zoals Spuit je ralkleur (Astrid Lampe), Prijken die buik (Peggy Verzett) en Servetten halfstok (Ester Naomi Perquin). Het zijn levendige, ‘ik-zalje-eens-even-wakkerschudden’-titels, waarvan de betekenis ondanks de felle ‘kleur’ vrij duister blijft. Met deze dichteressen, met name Astrid Lampe (koningin van kleurrijke associaties) en Peggy Verzett, heeft Maria Barnas eveneens een bepaalde ongrijpbaarheid gemeen, die voortkomt uit de hierboven beschreven meerduidigheid in betekenis, syntactisch wringende zinnen en verrassende beelden met een niet meteen te doorgronden betekenis. Barnas’ poëzie laat daardoor veel te raden over, wat een aantrekkelijke kant heeft: je kunt het werk steeds herlezen om steeds weer een nieuw licht op het werk te laten schijnen.

    Een thema dat in verschillende gedichten opduikt is angst. Angsten worden prominent gepresenteerd in een gedicht dat bestaat uit een indrukwekkende lijst van mogelijke angsten voor de meest uiteenlopende dingen, die maar liefst vier volle pagina’s beslaat. Dit gedicht, ‘Waar men bang voor is’, opent met een veelzijdigheid die het tot het einde volhoudt:

    Baden, mijten, jeuk, zuurheid, alarmsystemen, open plekken,
    hoogten, van een (geringe) hoogte springen, vaagheid,
    lucht, tocht en wind in het algemeen, braken, krankzinnigheid.
    [...]

    Kwetsbaarheid en overgevoeligheid zijn uitvloeiselen van de scherpe waarneming van de uiterlijke en innerlijke wereld. Barnas presenteert ze intiem en afstandelijk tegelijk – zoals ook blijkt uit de werkelijk uitputtende opsomming. Haar werk is vanwege de afstandelijkheid weleens ‘koel’ genoemd. Toch laat ze de lezer vrij dicht in haar eigen hoofd toe door haar gedachten en blik met ons te delen. Zozeer zelfs dat het vele ge-‘ik’ (waarvan ‘Ik is een vlag’ dan nog de leukste formulering is) in deze bundel ook weleens gaat vervelen. Maar dat komt misschien ook doordat Jaja de oerknal over het geheel genomen wel iets minder verrassend en pregnant is dan de twee voorgangers.

    Barnas’ werk is zeker niet alleen een ernstig observeren, de dichteres kan ook humoristisch uit de hoek komen. In meerdere gedichten vibreert een aangename droge humor, die vooral naar voren komt in een laconiek registreren. Zo is er de weloverwogen formulerende maar tegelijkertijd vrij wanhopig klinkende stem van een psychiater (klaarblijkelijk op een voicemail) in het gedicht ‘Bericht van een afgewezen psychiater’, of de observatie van een op IJsland tegen het lijf gelopen nuchtere fysiotherapeut:

    Een zwarte fysiotherapeut op IJsland nodigde me uit
    voor een wandeling. Hij keek naar mijn heupen

    en ik zag een toekomst. Hij zei: ‘Je houding is verkeerd.’

    UitgeverArbeiderspers
    Jaartal2013
    RecensentKiki Coumans
    Editie2013-2