Recensies

  • Schering en inslag

    Dennis Gaens
    Schering en inslag

    Ik zie je

    Inhoud en stijl van Schering en inslag lijken logisch vort te vloeien uit Dennis Gaens’ voor de C. Buddingh’-prijs 2010 genomineerde Ik en mijn mensenOpnieuw verhalend van toon en opnieuw over een vriendengroep, dit keer door Gaens in vier afdelingen neergezet. In ‘Draad’ worden de hoofdpersoon en zijn vier vrienden voorgesteld, in ‘Schering’ volg je het dan hecht bevriende groepje, in ‘Inslag’ lees je hoe ze uit elkaar drijven en het afsluitende deel ‘Stof’ is het verslag van een laatste onderlinge positiebepaling.

    Gaens weet zijn personages bijzonder goed neer te zetten. Als ze niet waren neergepend/aangeslagen/ingetypt en gedrukt, dan had ik gezegd: van vlees en bloed. Zo herken ik in een van de vijf vrienden maar liefst twee (!) bekenden van mij, die ik verder maar niet bij naam zal noemen:

    Lotte

    Lotte drinkt kraanwater uit maatbekers.
    Ze ziet er makkelijk uit, maar in dat hoofd
    is het een hel.

    Je moet haar toevallig tegenkomen, want
    aan afspraken doet ze niet. Ze slaat geen
    telefoonnummers op. Ze zegt: ‘Die dingen
    liggen moeilijker dan je denkt.’ Ze heeft
    een goed geheugen.

    Wat het is: ze raakt mensen liever niet aan.

    Men kent de man aan zijn vrienden. Dat geldt ook voor de hoofdpersoon van Schering en inslag. Zijn vrienden lijken maar niet volwassen te willen of kunnen worden. De meeste personages waarover de naamloze hoofdpersoon vertelt of waarvan hij impressies geeft, hebben nog het een en ander met de wereld uit te staan. Dani lijkt niet op te kunnen houden met dansen en blijkt aan het einde van de bundel te zijn opgenomen in een kliniek. Dave wil voortdurend vertrekken maar doet dat nooit en valt op bank achter de tv in slaap. Luuk, die op wereldreis gaat, spreekt steeds alsof hij toespraken houdt – met een zekere afstand tot zijn naasten. Lotte ten slotte, werpt haar telefoon in de Waal als ze vreemde telefoontjes verwacht en noemt zichzelf een zwaan. De hoofdpersoon, een wat stille jongen, valt op Lotte. Volgens Dave is ze niet voor hem weggelegd.

    Een enigszins getroebleerd puberaal groepje dus. Dat puberale mag dan voor de personages gelden, voor het evenwichtige dichtwerk met de afgemeten zinnen geldt het niet. De hoofdpersoon wiens stem we lezen, is bovendien geen dwepende Werther. Hij is een observator, een chroniqueur van de kleine bubbel die zijn vriendengroep is. Dat hij zelf tot helder en doeltreffend handelen in staat is, blijkt als hij het aan het einde van de bundel het op maar liefst vier manieren met Lotte uitmaakt. (Dat het Lotte is, is ondanks Gaens’ prozaïsche vertelwijze niet zeker, maar het ligt voor de hand.) ‘Zeg maar dat ik er niet ben’, sluit af met:

    Ik ben altijd meer poster dan voorstelling geweest, meer omslag dan binnenwerk. Er zijn manieren om de dood te omzeilen, maar niemand ontkomt aan verhalen en die kennen altijd een wending.

    In een sms met nog 150 tekens voor tekst:

    Ik zie je

    Natuurlijk valt er wel iets op de bundel aan te merken, veel is het gelukkig niet. Sommige zinnen die wellicht bedoeld zijn om sfeer neer te zetten, komen gratuit of gewild over. In een gedicht over een houten bouwsel dat ze in hun laatste zomer samen in elkaar zetten, beschrijft Gaens het bloed en het zweet op een wat wankele wijze: ‘Die drie maanden vallen we samen met de splinters in onze vingers, de/ schaafwonden op onze schenen, de blaren op onze handen en een handvol/ gebroken benen – met alles op onze namen na.’ Een einde dat het groepsgevoel goed neerzet, maar die handvol gebroken benen is voor de vuist weg.

    UitgeverVan Gennep
    Jaartal2013
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2013-2