Recensies

  • District en circle

    Seamus Heaney
    District en circle

    De macht om te binden of te ontbinden

    Seamus Heaney moet zich wel vermaakt hebben toen hem ter ore kwam dat er een relletje gaande was rond de Nederlandse vertaling van District & Circle, zijn bundel uit 2006 die in 2010 verscheen en onmiddellijk uit de handel werd genomen. Door tijdgebrek en slordigheid was een onzorgvuldig werk ontstaan. De nieuwe vertaling, door Onno Kosters en Han van der Vegt, vormt nu eens te meer een pleziertje voor de Ierse Nobelprijswinnaar.

    Vertalen is met de handen in de aarde van de taal zitten, schoffelen, dingen omgooien, echt vakwerk en ambachtelijkheid, en om die reden aan Heaney welbesteed. En nu is in zijn tweetaligheid dit vakwerk ook echt te volgen. Dat is plezierig, je kunt het als lezer gefundeerd eens of oneens zijn met de vertalers. Ze slaan de plank maar zeer zelden echt mis, maar ontnemen hier en daar wel het licht en de luchtigheid aan Heaneys taal.

    In deze bundel, waarin als vanouds het Ierse landleven naast persoonlijke herinneringen de hoofdrol spelen, kijkt Heaney ook terug op zijn lectuur van Wordsworth, Rilke, Seferis, Kaváfis, Neruda, Auden. Hij incorporeert hun poëzie, vertaalt ze en spreekt ze toe.

    Nu is dat niet het aantrekkelijkste deel van deze bundel. Heaneys oeuvre is een oeuvre uit één stuk, hij behoort tot de weinige dichters in wier werk op elke plaats een eigen en herkenbare toon te horen is. Heaney brouwt in zijn eigen vertaling van, bijvoorbeeld, Rilke een vreemd samenraapsel van Rilkeen Heaney-elementen; een soep die niet smaakt.

    De bundel District en Circle bevat twee lange en veelbesproken gedichten: het titelgedicht, waarin een tocht met de metro mythische connotaties krijgt, en een variatie op een oud thema van Heaney, de ‘Tollund-mens’. Deze gemummificeerde man die uit de vierde eeuw voor Christus stamt en in Denemarken in de jaren vijftig werd gevonden, is al in Heaneys vroege werk een heel aantrekkelijk motief gebleken. De man, die door een wonderlijk samenspel van grondlagen, weersinvloeden en chemische afscheiding van mos zeer goed behouden bleef, geeft een schok van herkenning door zijn ongelofelijke levensechtheid. Een tuimelende tijdreis, deze ‘Man van Tollund’, en om die reden waarschijnlijk zo populair bij Heaney, die zijn ‘omkijken’ altijd heel ronduit en aards wenst vorm te geven.

    Maar de ware attractie is de schijnbaar dagelijkse landwereld.

    Die wirwar van zachte toevoer en voeding –
    handenvol aan een hoop hooi ontlokt,
    gevierd om op te gaan in het spinnen, vouwen,
    ineengedraaid en strakgetrokken, rikkerdekik, tot touw –

    maar even vaak hanteerde ik aan het andere eind
    de haak
    liep achteruit, wond met al mijn inzet
    door elke klink en knik het hele verhaal ineen
    om de eindjes in elkaar te vlechten –
                                                  in mijn linkerhand
    de uitgeboorde vlierstok met schroefdraad,
    in mijn rechter de vervaardigde streng.
                                                      De wind in mijn rug,
    de zon op mijn gezicht, de macht om te binden, of te ontbinden
    vergaard uit en gewrongen in elke ruk en slag.

    Deze wereld bestaat in Ierland waarschijnlijk net zo min meer als in Nederland. Heaney herinnert hem zich, zoals hij zich Hughie O’Donoghue herinnert, en vele andere mensen en plaatsen die Heaney ‘door elke klink en knik ineenvlecht’ met de ‘macht van de dichter om te binden of te ontbinden’. Een portrettengalerij van gewone mensen is deze bundel daarmee ook. In de metaforiek van oude gebruiken en handelswijzen en woorden (egtand, aambeeld, kolenbak, slaaplelie, ransel) en de prachtig ontnuchterende gewoonheid van de beschreven mensen en wat zij doen – ‘op zaterdagavond in Loudans slagerswinkel/ stonden we in de rij’ – is District en Circle een rijke wereld in zichzelf.

    In de hoofdstraat van Granard kwam ik Duffy tegen,
    die ik nog kende van vóór de jaren des verstands,
    in korte broek in het lokaal voor Oudere Kinderen
    waar een keer op een winterdag juf Walls
    het hoofd verloor en ons de kuiten ranselde
    om vuilbekkerij waarvan we dachten dat ze die niet kon horen.
    ‘Godallemachtig,’ riep Duffy uit, en liep op me af,
    z’n stok in de lucht, beide armen breed uitgespreid,
    ‘godallemachtig! Weet je nog, dat Spaanse rietje?’

    Waarbij de vanzelfsprekendheid van dit gedeeld verleden en de humoristische schijnbare coïncidentie dat de schrijver van het gedicht zich Duffy herinnert om exact dezelfde reden als waarom Duffy zich hem blijkt te herinneren, precies de tijdsprong is waar het in deze poëzie vaak om draait. Een tijdsprong als bij de man van Tollund, de enige 2.500 jaar oude mummie die je vandaag gerust een knappe vent kunt noemen. Heaney weet zijn eigen landsverleden en -verhalen, zijn sappig-archaïsche maar soepele taal, plezierig algemeen te maken, voor elke lezer, wars van opgeblazen dichterlijkheid.

    UitgeverMeulenhoff Boekerij B.V.
    Jaartal2013
    RecensentMenno Hartman
    Editie2013-2