Recensies

  • Sikkel

    Ruth Lillegraven
    Sikkel

    Een Noors leven

    Ruth Lillegraven (1978), inmiddels woonachtig te Baerum bij Oslo, werd geboren in Granvin, een kleine twee uur ten oosten van Bergen, gelegen aan een van de armen van de Hardangerfjord. Ze is zeer productief. Ze schreef in korte tijd een toneelstuk, een roman, naar goed Scandinavisch gebruik een thriller, een volle hand kinderboeken en vier dichtbundels (waaronder een met kinderpoëzie). De hier besproken bundel Sikkel (Sigd), haar tweede(!), werd in 2016 bekroond met de Nynorsk litteraturpris.

    Sikkel  bevat de fictieve memoires van de negentiende eeuwse boer Endre. Je volgt hem vanaf zijn geboorte, hoewel daaraan een stemming schetsende proloog voorafgaat: ‘Alles valt/ in de fjord’ opent die, ‘de hemel, de bergen, het licht’: het is alsof hier de wereld wordt geschapen – Endres wereld, die ‘blauw in blauw’ is, en ‘grauw in grauw/ nat in nat/ alles in alles’. Het zegt veel over Endre, die een hang naar eenvoud in zich heeft. Hij is daarbij wat typisch. Nadat zijn vader hem in zijn jeugd zegt dat hij teveel praat, zwijgt hij maandenlang. Tot hij een muis ziet: ‘kijk die muis, zeg ik, met/ een stem vol roest en ruis, dan zwijg ik/ niet meer, maar de stilte zit in me’. Die stilte zit het boerenleven niet in de weg, en onder zijn handen blijft het boerenbedrijf floreren nadat hij het van vader overneemt.


    Endre trouwt met Abelone, maar een miskraam zorgt ervoor dat ze geen kinderen meer kunnen krijgen. Als Endre net als zijn vader al vroeg last krijgt van reuma, verkleint zijn actieradius tot zijn woonhuis. De boerderij is hij gedwongen te verkopen. Dan maakt de stilte zich weer van hem meester en lijkt hij in een depressie te vallen. Pas als een van zijn broers hem een Engels-Noors woordenboek stuurt en hij de taal leert, begint hij weer te spreken, al is dat louter in het Engels, waardoor Abelone zich genoodzaakt ziet de taal ook te leren. Het is alsof die taal hem in staat stelt naar buiten te treden. Werelden gaan voor hem open, Endre leeft op. Na Endres dood eindigt de bundel, overigens overeenkomstig met het begin: de epiloog zet het tijdelijke weer in het perspectief van het tijdloze, die eeuwige tijd van voor en na ons, die ‘als gras op het hooirek’ ligt, ‘als de cirkel om/ de maan, rond en/ rond’.

    Net als de pro- en epilooggedichten, zijn veel van de opgenomen gedichten smal en dun. Ze bestaan uit korte strofes die zelden langer zijn dan drie regels. De memoires worden soms aangevuld door teksten van andere personages. Die zijn overwegend van Abelone, maar ook Knut komt aan het woord, Endres broer die hem het woordenboek cadeau deed. Tussen de smalle gedichten staan ook veel buikvormige. Het lijken haast zwangere buiken, vol van leven en betekenis. Al zou je ook kunnen zeggen dat het vormbepalende element een witte sikkel is, die de regels contrasteert.

    De sikkel als vorm of woord komt regelmatig voor in het werk. Hij verwijst onder andere naar het wassen en afnemen van de maan, en kan worden gezien als metafoor voor de ontwikkeling van het leven tegen de achtergrond van de eeuwigheid. Ook verwijst de sikkel naar het mes van de zeis waarmee gemaaid wordt. In de populaire verbeelding is de zeis het werktuig van de dood, waarmee je zou kunnen zeggen dat de titel van de bundel als een zwaard van Damocles boven Endres leven hangt.

    Hoewel Endres eindige bestaan zijn lijden kent, schetst de bundel een beeld van een idyllisch leven: zware metalen hebben zich nog niet in de fjorden afgezet en geen oorlogen teisteren het land. Lillegraven schrijft, en het Noorwegen van weleer klapt voor je open. Centraal in dat leven staan de mens en de natuur. Ook al vreest hij beren en bosnimfen, Endres relatie met de natuur is intiem:

    zelf zoek ik naar
    het verloren ooi
     
    ik loop en loop

    terwijl het bos zijn
    groene ruisende sleep
    achter zich aansleept
     
    tot ook ik
    
groen en ruisend ben
    tot het bos mij is
    en ik het bos ben

    Dit wonderlijke ‘opgaan-in’ is een bekende ervaring voor wie nauw met de natuur samenleeft, denk bijvoorbeeld aan Arita Baaijens Regen van eeuwig vuur, waarin ze beschrijft hoe ze tijdens haar maandenlange trektochten door de Sahara deel wordt van de kleine kudde bepakte kamelen. De relatie tot de natuur doet overigens ook denken aan die van de eerste moderne Noorse dichter Rolf Jacobsen (1907- 1994). Jacobsen observeerde de natuur niet alleen, maar wist zich op zijn beurt erdoor bekeken. Of zoals dat bij Endre gestalte krijgt: ‘daar is het bos (...)/ we are the woods/ it whispers’.

    UitgeverAzul press
    Jaartal2018
    RecensentMerijn Schipper
    Editie2019-1