Recensies

  • Zwarte Zon, code van de hermetische poëzie

    Paul Claes
    Zwarte Zon, code van de hermetische poëzie

    Ode aan de geheime code

    Waarom schrijft Faverey de regel ‘Op een hond zijn kop stak’ in plaats van ‘Een hond stak zijn kop op’ en alludeert Jacob Israël de Haan in ‘De matroos’ met de regels ‘Een lichtmatroos: zijn donkre haren,/ Zijn ogen bloeien, zijn wangen blozen’ misschien op een roos? Het zijn vragen die de poëzielezer die alleen kritiekloos wil genieten van gedichten allicht niet interesseren maar de scherpzinnige lezer juist wel. Wat gaat er achter dichterlijke regels allemaal verborgen, welke hermetische boodschap gaat er schuil?

    De Vlaamse schrijver Paul Claes, vertaler, tekstuitlegger en zelf onder meer producent van behoorlijk ondoordringbare poëzie, is zo’n scherpzinnige lezer die het er niet bij laat zitten en op zoek gaat naar de betekenis achter alle verhullende, versluierde bewegingen waarmee dichters hun boodschap trachten te verdonkeremanen. Hij schrijft er een essaybundel Zwarte Zon, ondertitel ‘Code van de hermetische poëzie’, over.

    In Nederland heeft de hermetische poëzie nooit echt vaste voet aan wal gekregen. Wij zijn er allicht te calvinistisch, te rechtlijnig voor. Van de twaalf dichters die Claes op hun hermetisme beproeft, is er slechts één Nederlander, de obscure Willem van Swaanenburg, volstrekt vergeten zeventiendeeeuwer en door zijn tijdgenoten al versmaad. Daar staan twee grote Vlaamse dichters tegenover: Karel van de Woestijne en Hugo Claus, ten teken dat er in Claes’ eigen land een openbare hermetische poëziepraktijk bestaat, daar schrikken ze niet zo van een dichterlijk geheimpje. En verder behandelt Claes gepatenteerde hermetici als Luis de Góngora, Gérard de Nerval, Stéphane Mallarme, Rainer Maria Rilke, André Breton en zo nog een paar. Allemaal dichters die zeer doelbewust ondoorzichtig werk schreven, ver van alle anekdotiek en waar Paul Claes, de belezen erudiet met zijn grote kennis van talen en cultuur, zijn licht over laat schijnen.

    Jammer vind ik het wel dat hij het eventuele geheim bij anderssoortige, schijnbaar eenvoudiger dichters niet wenst te onderzoeken, dat hij de hermetiek achter bijvoorbeeld het doodgegooide schildpadje van Hendrik van Teylingen niet probeert op te sporen of het werk van Jean Pierre Rawie op verborgen boodschappen doorspit, en is Remco Campert misschien niet ook ergens een hermeticus? De dichters in Zwarte zon geven doelbewust raadsels op die wij dan weer moeten ontraadselen. Deze bundel gaat dus nadrukkelijk over gekunstelde poëzie en over maniëristische dichters die zich zo indirect mogelijk tot de lezer richten. In zijn epiloog zegt Claes: ‘Een hermetisch gedicht lijkt op het eerste gezicht een geval van mislukte communicatie. De duistere dichter formuleert een boodschap die de lezer niet kan begrijpen. In feite vormt de indirecte wijze van uitdrukking een deel van de poëzie. Zoals een raadselopgever de oplossing tijdelijk uitstelt, zo daagt de auteur zijn lezer uit om zijn geheimtaal te ontcijferen. Wie de code kan kraken, put daaruit poëtisch plezier.’

    Zo blijft het nogal een spel ván en vóór ingewijden met de nauwelijks verborgen boodschap dat alleen een hermetisch gedicht een goed kunstwerk kan zijn, ‘Ein gutes Gedicht verbirgt was es enthüllt’, een citaat van de Duitse literatuurwetenschapper Walther Killy, zegt wat dat betreft genoeg. Niet toevallig heeft Claes het ten aanzien van ‘gewone’, niet hermetische poëzie over zondagsdichters en gebruikspoëzie en aangaande de populariteit ervan over ‘cultureel simplisme en pueriel populisme’. Bij Claes bevinden we ons onverbiddelijk in de oude ivoren toren; een mededeelzaam, open gedicht vindt hij zo te zien niet interessant.

    Niettemin is zijn verhaal boeiend genoeg. De eerste helft van Zwarte Zon gaat nog op aan alle trucjes die de dichter ten dienste staan om zijn gedicht vorm te geven. Het is in zekere zin een beredeneerde Literaire Kunst, met paragrafen over metaforiek, ellipsen, concatenatio, enfin de hele rimram aan stijlfiguren, rijmwijzen, syntactische eigenaardigheden etc. Maar dan toont hij aan de hand van twaalf gedichten van twaalf dichters uit alle tijden aan hoe divers de hermetische dichter te werk kan gaan.

    Claes is de close reader bij uitstek, hij laat geen geheimzinnigheidje liggen. En zo ontmaskert hij het beroemde gedicht ‘El desdichado’ van de geesteszieke Gerard de Nerval als een metafoor van de Orpheus-mythe. Achter de schijnbare wartaal gaat een heel netwerk aan verklaarbare associaties schuil. Misschien was De Nerval gek maar zijn gedicht zeker niet.

    Het meest treffend is wat mij betreft Claes’ uitleg van Rilke’s ‘Archaischer Torso Apollo’s’. Tegen Simon Vestdijk, die vond dat Rilkes vergelijking van de torso met een kandelaar nergens op sloeg, brengt hij in dat de borstlijnen van het beeld wel degelijk aan een kandelaar doen denken en dat dit de dichter zijn associatie met schouwen en verlichting moet hebben ingegeven. De koploze romp ziet hij als een gezicht, een reuzenhoofd met ogen en een neus en opeens begrijp je wat Rilke met de onverwachte slotzin ‘Du musst dein Leben ändern’ kan hebben bedoeld. Je moet anders tegen de dingen aankijken, nieuwe en andere kunst, een nieuw inzicht. Prachtig zoals Claes het gedicht uitlegt en betekenisvol maakt. Blijft staan dat hij de gewone, schijnbaar ongeheimzinnige anekdotische, parlandoen gevoelsdichters gruwelijk verwaarloost. Enfin, daar moeten wij ons dan maar op eigen houtje over buigen.

    UitgeverVantilt
    Jaartal2013
    RecensentRob Schouten
    Editie2013-3