Recensies

  • Het huis woont in mij

    Peter Swanborn
    Het huis woont in mij

    Angsten en visioenen

    Peter Swanborn is een consistent dichter. Al vanaf zijn debuut Bij het zien van zijn lichaam schrijft hij heldere verzen, waar geen woeste taal- en/of vormexperimenten in voorkomen. Zijn gedichten kenmerken zich door een strakke vorm en een weloverwogen woordkeuze.

    Doorgaans beperkt hij zich per dichtbundel tot één thema. Zo bevatte zijn tweede bundel Een koud bad, geschreven in opdracht van de Zeeuwse Slibreeks, 24 liederen over verdronken Zeeuwen. Zijn derde bundel Tot ook ik verwaai werd een monument voor een dementerende moeder.

    In zijn nieuwste bundel Het huis woont in mij lijkt Swanborn echter het idee van één thema losgelaten te hebben. De bundel bestaat uit drie delen: ‘Het huis woont in mij’, ‘Nooit alleen’ en ‘Geen mens te zien’. In het eerste deel worden er herinneringen opgehaald aan een kindertijd.

    Schuine balken stutten het oude gezicht. Als slappe huid
    wappert behang omlaag. Het balkon is scheefgezakt, de
    afvoer drupt. Een geraamte van kamers tekent zich af.

    Vloeren zijn verdwenen, ramen, deuren, het zinken dak.
    Heb ik hier gewoond? Trap op, trap af gerend, de zolder
    veroverd, me veilig gewaand in kasten metersdiep?

    Koperen leidingen zwaaien traag in de wind. Klimop slingert
    driehoog naar binnen. Met gesloten ogen ken ik mijn weg
    in dit stille hoofd, de sloop nabij. Het huis woont in mij.

    Hoewel Swanborn begrijpelijke regels schrijft, speelt hij wel een geraffineerd literair spel. Hij laat zaken vloeien en in elkaar overlopen. Gaat het in ‘Huis’ nu om de ruïne van het ouderlijk huis of over zijn eigen hoofd? Die stijlfiguur hanteert hij veelvuldig in deze bundel, waardoor de gedichten een verontrustend randje krijgen. Dat wordt helemaal duidelijk in het tweede deel van Het huis woont in mij dat zich afspeelt in het heden.

    Met scheve ogen staart het mij aan, door de spijlen
    van de trap. Een schuw wezen dat honger heeft, en
    als ik passeer, trekt het een duister gezicht. Ik vraag
    zijn naam, krijg enkel de mijne. Snel sluit ik de deur,
    zie niet hoe het treden beklimt, op handen en voeten,
    tafel en bed eigen maakt. Als ik thuiskom, ’s avonds,
    daalt het de trap af, recht als een mens. Hij vraagt
    mijn naam. Met scheve ogen staar ik hem aan.

    De dichter wordt geplaagd door angsten en visioenen in dit deel. De persoonlijke demonen van de dichter lijken een voortvloeisel uit zijn kinderjaren te zijn, maar met zekerheid valt dat niet te zeggen. De lezer krijgt in ieder geval een carrousel van nachtmerrieachtige beelden voorgeschoteld. De enige remedie voor de dichter om niet volslagen krankzinnig te worden lijkt het optekenen van bezwerende gedichten in glasheldere taal en strakke regels.

    In het laatste deel is de dichter evenwel in rustiger vaar
    water terechtgekomen. Hij heeft zich neergelegd bij zijn verleden en heeft zijn angsten geaccepteerd. Wat rest is de verwondering over de wereld om hem heen. Hoewel daar toch ook telkens weer zaken gebeuren die niet goed te verklaren vallen.

    Als ik een psychologische karakterschets zou moeten maken van de dichter Peter Swanborn aan de hand van zijn nieuwste bundel, dan zou ik beweren dat we te maken hebben met een beheerst man (getuige zijn strakke verzen), maar dat er onderhuids van alles broeit, borrelt en bruist. Ik vraag me af welke ontwikkelingen deze dichter en zijn werk nog te wachten staan.

    UitgeverPodium
    Jaartal2013
    RecensentDaniël Dee
    Editie2013-3