Recensies

  • Dat ben jij toch

    Jannah Loontjens
    Dat ben jij toch

    Dat ben ik niet

    Al weken loop ik rond met de gedachte dat ik een recensie moet schrijven over de nieuwe dichtbundel van Jannah Loontjens. De bundel ligt met een vrolijke kaft op mijn bureau. Op de kaft is een grasveld vol zonnende mensen te zien en tussen die mensen bevinden zich de letters die samen de titel Dat ben jij toch vormen. Ik heb de bundel meerdere keren gelezen, doorgebladerd en weer teruggelegd, zoals ik dat ook in de boekwinkel zou hebben gedaan. De titel spreekt mij letterlijk toe, maar veel van wat er in de bundel staat spreekt mij niet aan.

    Op de voorkant wordt van bovenaf op een groep zonnende mensen neergekeken, waarna de titel suggereert dat ik zoals die mensen ben. Welbeschouwd is er niet eens sprake van een suggestie. Een vraagteken ontbreekt. Hiermee krijgt de titel iets opdringerigs. Dit effect doet denken aan de regel ‘wie dit leest is gek’ die we vroeger met een balpen op de testkladblokjes bij de HEMA schreven. Ik wil niet gek, of als de ander die daar in het park ligt zijn, denk ik. Maar, zo stelt de bundel vast, dat ben jij toch.

    In het openingsgedicht wil de verteller uitvinden wie zij is door uit te zoeken op wie ze lijkt. Loontjens heeft veel woorden nodig om tot de kernzin te komen en maakt bij het schrijven verschillende keuzes waar ik moeite mee heb.

    De kernzin luidt: ‘Wist ik maar op wie ik lijk. Ik zou ook weten of ik lijk/ op wie het lijkt dat ik lijk.’ Mysterieus. Mysterieuzer dan nodig, lijkt me. Het zinsdeel ‘het lijkt dat’ maakt de zin onnodig gecompliceerd. Had Loontjens niet beter kunnen schrijven dat de verteller in dat ene geval zou weten of ze lijkt op wie ze lijkt? Dat zou een zin zijn geweest die luchtig de mate van gelijkenis tussen zelf en zelfbeeld aan de kaak stelde.

    Even verderop borduurt Loontjens voort op een overtollige betekenis van een enjambement uit de hierboven geciteerde zin. Ze kiest ervoor in de slotregels een tweede betekenis van het woord ‘lijk’ te benadrukken. ‘Achteraf is niet meer./ Niet meer dan dat. Verlaten lichamen./ Waarna enkel nog een hoopje botten.’ Het gedicht dwaalt af en valt daarna staccato in onaffe zinnen uiteen.

    In ‘Mijn ziel en ik’ is sprake van eenzelfde gespletenheid als de verteller met haar ziel op de bank zit. Het is een gedicht waarin ‘filosofische’ vragen worden gesteld. Het lichaam vraagt de ziel bijvoorbeeld: ’Slet. Hoelang heb je mij in bruikleen.’ De vraagzin wordt afgesloten met een punt. Blijkbaar is het vraagteken op het toetsenbord van Loontjens na al dat peinzen versleten. Maar wordt er wel echt zo veel en diep nagedacht in de bundel van Loontjens? Er wordt vooral opvallend veel in een monologue of dialogue intérieur gebabbeld. Dat is ook het geval in het gedicht ‘Vallen’, dat als volgt begint:

    Wat heb je mooie enkels. Ik zou je graag leren kennen.
    Je schoenen zijn aan de oude kant. Misschien tweedehands.
    In je panty zit een ladder. Nee, vind ik juist leuk.

    De stijl heeft in deze gedichten vaak nog het meest weg van die van een tienerdagboek. Dit openbaart zich het pijnlijkst in een gedicht waarin het allerlulligste woord uit de Nederlandse taal voorkomt. ‘Opperdepop’ heet het gedicht. En het woord komt verderop ook nog in de dichtregels terug. ‘Mijn hoofd is leeg. Mijn gedachten zijn op. Opperdepop.’

    Het beste gedicht uit de bundel is qua stijl een vreemde eend in de bijt. In ‘Gesprek tussen de meeuw en de psychiater’ gaat het eens niet direct over de sores van de verteller.

    Net had u toch een baard?
    Nee hoor, ik heb geen baard.
    O, ik dacht dat u een baard had.
    Nee.
    De meeuw staart naar de vloerbedekking.

    Het wordt een lastige therapiesessie. De psychiater wil de meeuw ‘over het vogelkopje aaien’, maar de meeuw ontwijkt zijn hand.

    Ook bevat de bundel enkele zinnen die je het liefst uit hun gedicht zou knippen omdat ze op zichzelf zoveel krachtiger zijn. ’Absent is als je er bent/ door er niet te zijn. Ik mis je soms als je er bent/ door er niet te zijn’, schrijft Loontjens bijvoorbeeld.

    Een andere aardige regel gaat over iemand die zich als een zwerfhond enkel thuis voelt op de plekken waar ze niet hoeft te blijven. Het toont niet alleen iets over de aard van een zwerfhond, maar werpt ook licht op het ongedurig zoeken van de verteller – een vrouwfiguur die haar eigenheid al peinzend zoekt in een vergelijking tussen zichzelf en ‘de ander’.

    Zo eindigt de bundel onbevredigend met de vraagstelling waarmee zij begon. Er wordt niets opgelost of overwonnen. Dat ben jij toch is een bundel waar ik mij zowel stilistisch als inhoudelijk niet in kan vinden.

    UitgeverAnthos
    Jaartal2013
    RecensentPim te Bokkel
    Editie2013-3